zondag 26 november 2023

Dagboek

(Eerste dagboeknotitie. Ik ben veertien jaar oud, derde klas MULO. Mijn vader werkt mee aan de sluiting van de Lauwerszee.)
 
18 augustus 1969, maandag
Vandaag is dokter Philip Blaiburg overleden. Hij leefde 19 maanden en 15 dagen met een ander hart. - In Noord-Ierland is het weer wat rustiger. Er zijn nu 8 doden gevallen. - Mike Collins gaat niet meer de ruimte in. Het gezin moet eronder lijden, zei Collins. - Er was ook weer een treinongeluk, Zaltbommel-Groningen. Eén zwaargewonde. Melkwagen reed door. - De scholen zijn ook weer begonnen. - Heit moet morgen erg vroeg: om 5 uur in Zoutkamp.

(Eerste notitie in tweede schrift. Ik ben bijna 17 jaar oud, Havo-leerling.)

6 februari 1972, zondagmorgen, 01:12 uur, 1 [= dag 1 in Christus]
Jezus Christus is in mijn leven gekomen op 5 februari 1972, ´s avonds om 10 voor elf in de Westerkerk te Leeuwarden toen ik hem samen met G [klasgenoot] en JK [evangeliste] vroeg of hij in mijn leven wilde komen. En Jezus kwám. Een heerlijk gevoel van nieuw leven heeft ons doorstroomd en is nog in ons.

(Eerste notitie in derde schrift, dat loopt tot en met 5 oktober 1974. Ik ben 19 jaar oud en student maatschappelijk werk, sociale academie, Leeuwarden.)

5 april 1974, vrijdagavond, 23:26 uur, 6967 [= 6967 dagen oud]
Voor mij ligt een vreselijk vol boek met volgeschreven blaadjes, mijn dagboek oude stijl. Ik moet maar zo gauw mogelijk zien te vergeten, dat dit wat nieuws is, dat ik hier iemand moet inwijden in de dingen, die in het oude dagboek zijn genoemd. Daarom geen overzicht, geen toekomstwensen, ik ga gewoon door. 
Tja, daar overleed op 2 april opeens president Pompidou. Hij was al 16 maanden ziek, maar daarvan is officieel nooit iets bekend gemaakt. Ook nu wordt er niet over gesproken, maar men denkt, dat het beenmergkanker is geweest. Hij is dan ook gistermiddag in alle stilte al begraven en er hebben zich ook al 6 kandidaten-opvolgers aangemeld. Men heeft waarschijnlijk rekening gehouden met zijn dood of aftreden. Morgen is er een rouwplechtigheid waar de grote leiders kunnen komen om Pompidou te eren. Ook Nixon zal, net als bij de Gaulle, van de partij zijn. Het lijkt, dat hij alleen maar komt als er een begrafenis is. - Ik hoop, dat er morgen tijd is voor meer persoonlijke dingen, want behoefte is er wel.

(Eerste notitie in het vierde schrift, dat loopt tot en met 10 september 1975.)

5 oktober 1974, zaterdagavond, 20:49 uur, 7149
Na precies een half jaar was het ouwe boek vol en kon ik aan het nieuwe beginnen, dat ik met m´n vooruitziende blik al in juli had gekocht. Ergens hoop ik maar, dat ik niet weer een heel boek in een half jaar vol pen, aan de andere kant is een afwisselend leven ook erg leerzaam en ik ben nu eenmaal gek op dit soort schrijven. 
A [mijn verkering in 1972 en opnieuw kort in 1974] is weggebleven. Ik verwachtte hem vanmiddag en eigenlijk vanavond tot half negen ook nog wel, nu zal hij zeker niet meer komen. Toch kan elke voorbij rijdende auto stoppen en binnen een paar minuten kan hij dan voor voor mij staan. Hij zal wel ziek zijn of het erg druk hebben. Dit soort situaties ontstaan als je niet meer aan de ander gebonden bent. Dan kom je niet meer koste wat het kost en dan stuur je geen telegram of bel je iemand die het kan doorgeven. Nee! dan denk je, ach ik schrijf maandag wel een brief met verontschuldigende woorden en de mededeling dat het de volgende keer niet aan mij zal liggen. Nee, als het enigszins kan dan krijgt A ervan langs. Hij kan nu wel niet meer van mij houden, toch heeft hij maar rekening te houden met mijn gevoelens.
 
(Eerste notitie in het vijfde schrift, dat loopt tot en met 9 juli 1978. Ik ben 20 jaar, zit in het derde jaar van de opleiding en woon sinds mei in een duplex.)
 
14 september 1975, zondagmorgen 11:19 uur, 7494
Beginnend aan een boek [schrift] van 300 blz. dat eerst nog even moet wennen omdat het anders is dan de beide voorgaande. Voordat dit boek volgeschreven is, zijn we waarschijnlijk al een jaar verder. Het is bijna niet voor te stellen. Maar in een leven als dat van mij wordt zoveel geschreven over datgene wat beleefd wordt, dus dan is het nog te lang, een jaar, om dit boek vol te krijgen. 

(Eerste notitie in het zesde schrift, dat loopt tot en met 13 november 1978. Ik ben 23 jaar, maatschappelijk werker op het Eindhovense woonwagenkamp Doolplein.)

9 juli 1978, zondagmiddag, 8525
Mannenemancipatie
Hardstikke nodig, veel behoefte aan in deze wereld, als tegenhanger van wat vrouwen aan nieuw bewustworden meemaken. Mannen die gevoelens toegeven, de onechtheid van hun doen en laten ontdekken, overbodige ballast weggooien en eigen behoeftes gaan verwezenlijken. 
Het is me duidelijk geworden - duidelijker - door de homofielengroep [COC] van het afgelopen jaar. En door A., D. en L. [respectievelijk collega/vriendin en huisgenoten]

(Eerste twee notities in het zevende schrift, dat loopt tot en met 20 april 1979. Ik ben 24 jaar. Ik heb me aangesloten bij de Roze Driehoek, een actiegroep die zich inzet voor de bevrijding van homoseksualiteit. In de vakantie een S. leren kennen, die in Parijs woont en werkt.)

13 november 1978, maandagmiddag 13.15 uur, 8654
Dag nieuw dagboek. Je papier schrijft leuk; je hebt geen kantlijn, net als mijn vorige boek. Dat vind ik prettig. Ik ga lezen in Suzanne Broggers boek "Deliver us from love". A. is wezen eten tussen de middag, met D. [stagiaire] Dat was hartverwarmend, dat deed me goed. Tot straks.

16 november 1978, donderdagavond, 21.46 uur, 8657
Morgenavond om 10 uur hoop ik weer in Parijs te zijn. Ik hoop ook, dat ik dan niet zo moe ben als nu. Ik ga zometeen naar bed om de verloren slaap in te halen. Maandagnacht verstoorden D. en L. [de huisgenoten ] mijn slaap. Gisternacht was het een ruzie met B. [stagiaire] waardoor ik om half twee in mijn bed lag en een discussie met A. [collega/vriendin] waardoor ik pas om half drie in slaap viel. Jammer, ik wilde deze week zo graag uitrusten voor het weekend in Parijs. Van 1 nacht kan het echter niet komen. Afijn, dan maar met minder genoegen genomen. 

(Eerste notitie in het achtste schrift, dat loopt tot en met 25 september 1979. Bij de Roze Driehoek heb ik J. leren kennen.)

24 april 1979, ´s avonds, 8814
Twee vrije dagen om weer bij te komen. Reny [mijn zus] op bezoek, vandaag, morgen en overmorgen. Dinsdag begint ze als secretaresse op de röntgenafdeling van Triotel [ziekenhuis in Leeuwarden]. 
Nekpijn, spanning en kou. J. blijft slapen, op mijn verzoek. 

(Eerste notitie in het negende schrift, dat loopt tot en met 9 juli 1981. Bij de Roze Driehoek heb ik T. leren kennen.)
6 oktober 1979, zaterdagavond, bij T., in de ....straat
We zijn terug uit Schiermonnikoog, in T´s nieuwe huis, waar hij samen met H. [z´n broer] en M. [Roze Driehoek] woont. P. [Roze Driehoek] en I. [vriendin van H.] zijn er ook. Tot nu toe hebben we bijgepraat over de dingen die hier [in Eindhoven] zijn gebeurd, en met ons tijdens de vakantie. Nu ben ik het even moe, ik heb even genoeg gehad van alle verhalen die op me afkomen, ik wil graag even bij mezelf zijn. 
Zoals het me nu voorkomt is dit een beangrijk element in onze relatie aan het worden: praten over en bezig zijn met flikkerstrijd, onmannelijk zijn, de konsekwenties daarvan, konfronterend zijn, open en eerlijk zijn, kortom hard bezig zijn met zelf antwoorden vinden op allerleid dingen waarmee anderen ook bezig zijn. 
Soms is het me gewoon teveel, zoals nu effetjes. Ik kan niet zo goed aansluiting vinden met verhalen uit mijn eigen wereld. Ik maak wel wat dingetjes mee: mensen reageren op mijn gelakte nagels of op m´n buttons. Maar P. bv. laat meer zien, in z´n lopen, in z´n praten, in z´n reageren. En dat heb ik (nog) niet. Ik vind het soms (nog) herrie, en dan heb ik behoefte om na te denken over wat er zich nu precies voordoet.

(Eerste notitie in het tiende schrift, dat loopt tot en met 28 maart 1983.)

13 juli 1981, maandag, 21.20 uur, 9687
Ik ga in dit boek verder [cadeautje van T.], niet in het door mijzelf gekochte schrijft, waarbij ik het gevoel had aan een nieuwe periode te beginnen, een gevoel dat T. beangstigde, wat mij aan het denken zette, want het komt nauw bij mij in dit soort dingen, en het is inderdeaad geen nieuwe periode, het is een voortzetting van waarmee ik bezig was, alleen, samen met T., samen met J., M., T. [andere leden van de Roze Driehoek] en soms A., T., [vriendinnen] en met mamma.


(Deel 39. Ik woon inmiddels in Portugal en leer kinderen en volwassenen Engels en later ook Portugees spreken.)

8 juni 02, saturdag
Ik droomde dat mensen aandelen hadden in Seks, Eten en Slapen, die ze konden verkopen voor dingen als een betere baan, meer vakantie, verre reizen, een groot huis, een tweede badkamer, een derde auto, een vierde telemóvel, and what have you. Maar ze konden ook meer aandelen kopen, geloof ik. Het was in ieder geval een van de verklaringen waarom er zoveel dikke mensen in het Westen zijn en waarom iedereen het altijd en overal over seks heeft.
 
30 april 14, woensdag
Voor het eerst sinds 1949 is het geen Koninginnedag meer. Het is een warme dag. De lucht is warm. De wind komt uit het zuidoosten. 
Zodra ik klaar ben met Mist (manuscript) vertrek ik. 
Een leerling bracht Indiaas bier mee voor mij. Zo aardig! Mensen zijn heel aardig. En ineens ook weer helemaal niet. Dan zijn ze onverdraagzaam, of xenofobisch, egoistisch, kortom lelijk. Een gevoel van diepe teleurstelling overvalt me bij de zoveelste uiting van onbegrip voor elkaar, van korte termijndenken, van domheid als het gaat om het begrijpen van onze geschiedenis.
 
18 juli 14, vrijdag
13:44 uur - Oekrainers hebben een vliegtuig neergehaald. Iedereen aan boord is dood, al bijna 24 uur. Vreselijk.
 
19 juli 14, zaterdag
14:20 uur - Triest nieuws. Namen. Leeftijden. Verhalen.
 
23 juli 14, woensdag
18:15 uur - Als ik over het neerschieten van het vliegtuig lees, over de passagiers en over wie achterbleef, achtervolgt me dat, blijft me dat bij, kruipt dat in mijn vlees, hart, hoofd, ziel.
Poetin-bashing doet het goed op dit moment. Een burgemeester en oud-journalist twittert een lelijk verwijt aan hem, noemt daarin ook diens dochter. Ik vind het een veeg teken, als een journalist niet meer de andere kant van het verhaal wil zien en liever het hart op de openbare tong draagt, voor iedereen te zien en te horen. Alsof Poetin de telefoon pakt en een militiehoofd zegt wat die moet doen. Alsof de VS meteen opening van zaken gaf toen het een Iraans vliegtuig neerhaalde. Nee, tot op vakantie in Turkije zullen Nederlanders hun gram halen en Russen de rug toekeren, Russische toeristen nota bene, toeristen als zijzelf. 
 
16 augustus 14, zaterdag
Vijandsbeeld - duikt op als het nodig is, als 198 Nederlanders sterven. "Die Poetin, zijn gezicht, brr, ik vertrouw hem niet." Alsof het ooit anders is geweest, alsof er ooit een Russische leider is geweest die ze wel vertrouwden, alsof ze niet huiveren bij elke Rus die ze zien of horen. Of bij elke Oekrainer.

20 julij 14, zondag
14:00 - Heerlijk, zondag, mooi zomers weer, doet een beetje Fries aan, met een verfrissende wind van zee.
In ´81 was ik met T. in Rome op een camping. Daar maakten we kennis met een Nederlander die ook vakantie hield. Hij was met een groep. Ze reden met hun caravans door Europa. Mensen in bonus waren het, uit Leiden, het Gooi. Golfers, vrindjes. Tegenwoordig tref je ze overal in het zuiden aan: camperaars heten ze, rondtrekkend als zigeuners, vrij als een vogeltje dankzij de AOW en hun eigen pensioen. "We hebben er altijd hard voor moeten werken," beet een van hen ooit van zich af toen ik belangstelling toonde voor haar reisdoelen. Wat Leiden en het Gooi hadden, wou haar generatie ook. En ze hebben het gepakt, voor elkaar gekregen. Wel is het geld nu op en heeft de volgende generatie het nakijken. Delen kwam in het woordenboek van hun ouders niet voor. 
 
24 augustus 14 
Durão Barroso, de Portugese voorzitter van de Europese Commissie, heeft zich de laatste maanden duidelijk nog even te goed gedaan aan de vleespotten van Brussel. Waarschijnlijk met het oog op zijn terugkeer naar Lissabon, waar hij weet dat de salarissen dertig procent lager liggen en de werkeloosheid op vijftien procent blijft hangen. Na tien jaar niets doen in de Brusselse marge heeft hij alles van een voldane tuinkabouter. Hij is de dikke dwerg uit het sprookje van Sneeuwwitje geworden, een voldaan glunderende dikke dwerg.

5 april 15
Het witte ras is hebzuchtig. En het doodt uit hebzucht. Om zichzelf groot en uniek te maken, heeft het zich de christelijke godsdienst aangemeten. Van buiten zijn ze heilig en goed, hun daden bewijzen het tegendeel. 

6 april 15
Lekkere, zuivere olijfolie lag vroeger binnen het bereik van iedereen met een paar olijfbomen. Tot het grote geld haar deel van de pret opeiste. Nu is dezelfde olijfolie exclusief voor mensen met een grote beurs.

29 juli 15
De generatie van voor de oorlog bouwde rusthuizen voor hun ouders. Die van na de oorlog vond verpleegtehuizen beter voor hún ouders, met niet al te veel personeel. Zelf wil deze generatie later graag in omgebouwde villa's wonen, met veel groen rondom. 

31 juli 15
Er is een stuk van een vleugel gevonden dat van de MH 370 kan zijn.

Iedere generatie vindt haar eigen weg, met geld, met gezondheid, overdracht van kennis, ouderdom, vluchtelingen etcetera. 
In de wereldoorlog van 1914-18 vingen zes miljoen Nederlanders 100.000 vluchtelingen op. In 2015 willen 16 miljoen Nederlanders nog geen 4.000 opvangen. Het liefst vingen ze er geen een op. 

10 augustus 15
Ik denk dat ik nu begrijp waarom mensen op 10 mei 1940 zelfmoord pleegden. Dat waren volgens mij mensen die de krant lazen en de tekenen des tijds herkenden. Ze hadden in het verzet kunnen gaan, zeker. Ik denk, dat zij vooral de miljoenen meelopers voor ogen hebben gehad toen ze voor de dood kozen.

3 september 15
Vergeleken met twintig, dertig jaar geleden krijgen gays ALLE ruimte, net als conservatieven. Waarom dan toch doen alsof hen het recht van bestaan wordt ontzegd? Omdat we zijn gaan denken in termen van ik ik ik in plaats van wij.

11 september 15 18:26 uur
2½ lesuren, 2 afzeggingen, Mist, siësta.
Ik heb mijzelf altijd hoog ingeschat, privé, van binnen. Net als Balls vind ik mijzelf beter dan de tollenaars van deze wereld. Mensen noemen mij eigenwijs, en dat is ook zo. Wel kan ik ondertussen mijn ongelijk bekennen. Maar ik doe het zo weer, hoog van de toren blazen. 
 
10 oktober 15, zaterdag, 16:38 - Van knoflook krijg ik dorst. Een heerlijke boterham met drie teentjes, en mayo, om half 1. 
In de stromende regen naar de paarden gefietst. Het begon al in de nacht. En het is pas een dik uur geleden gestopt. 
Ik heb de eerste spruiten gekocht. Gisteren zag ik ze liggen, vijf zakjes van een halve kilo. Vanochtend om 12 uur lag er nog eentje. 
Het moest een keer stoppen. Het moet een keer stoppen. Je kunt niet eeuwig alles kopen wat los of vast zit, alles wat een ander ook zou willen hebben maar niet kan krijgen. Zoiets wekt afgunst op, eten tot bijna iedereen obees is, feesten van vrijdag tot maandag, niet discreet, nee, voor het oog van de hele wereld, iedereen kan het zien, niet alleen de buren, ook mensen verderop die het veel minder goed hebben.

Zaterdag 7 november 15
Onze leiders leiden niet. Ze kijken de kiezers naar de ogen. In plaats van ons te vertellen dat de koek op is, dat zij de koek hebben opgemaakt, dat wij samen de koek hebben opgemaakt, kortom dat er andere tijden aanbreken, vertellen ze dat de goede tijden zullen terugkeren als wij meewerken en bezuinigingen doorstaan. Zodat wij, de kiezers, nu woest reageren op de stroom van mensen die op ons afkomt omdat ze in onze weelde willen delen, ook willen profiteren van de ongekende welvaart waarover ze hebben gelezen en waarvan het internet hen nog dagelijks voorbeelden laat zien. 
 
donderdag 12 november 15
De EU vergadert op Malta met Afrika om van dat continent gedaan te krijgen dat er van daar geen mensen meer onze kant op komen. Nu kan ineens wel wat voorheen in Doha niet kon: op gelijke voet praten. Jammer, dat het nu te laat is. Afrikanen vragen niet langer, ze eisen. Ik vind het heel frustrerend! Dat onze leiders voor het oog van iedereen met hun geblunder wegkomen. 

zondag 15 november 15
Ik lees Fasseurs relaas over de val van De Geer als premier. Hij is heel tendentieus, vind ik. En nodeloos grievend over deze man. De Geer wordt afgeserveerd en Fasseur bevestigt de zoveelste mythe.
Hij heeft ook een eigenaardig beperkt wereldbeeld. Dat blijkt bijvoorbeeld als hij schrijft dat het hem bevreemdt dat de beide socialistische ministers ook in Londense ballingschap hun ideeen getrouw blijven.

maandag 16 november 15
Het komt maar zoals het komt, vindt 65% van de stemmers over een stelling over de opwarming van de aarde. Zelf doen ze er niets tegen en verder denken ze ook niet aan de mensen die wel met de gevolgen moeten leven. 

Als wij maat hadden weten te houden, niet obees waren geworden en niet de wereld hadden bereisd in een weekend, dan was er niemand op het idee gekomen om ons massaal te komen vermoorden. Wij staan er niet bij stil hoe we bij de buren overkomen die het zoveel minder hebben.
 
donderdag 19 november 15
Fasseur aarzelt lang om Wilhelmina's eigengereide en ongrondwettelijke handelingen te benoemen, laat staan te veroordelen. Hij wil de mythe niet wegnemen van Wilhelmina als een goede vorstin. Het kabinet heet zwak en de koningin een man. Terwijl het aan het kabinet te danken is dat Wilhelmina aan de regels van het spel werd gehouden.     Ze was ongeschikt voor haar baan, ongeschikt om koningin van Nederland te zijn. Alleen haar ministers hebben erger weten te voorkomen. En dan nog niet altijd. Colijn bleef zo lang omdat zij hem wilde als premier. Daardoor etterde de crisis van '29 nog jaren door, wat leidde tot ellende voor velen. 

zaterdag 21 november 15
Lees "Beatrix" voor de tweede keer. Prins Claus werkte in het begin aan de bewustwording dat we moesten gaan delen, Noord met Zuid. Zo wilden we dat in de aanloop naar de jaren tachtig. Het liep anders. Andere stemmen werden sterker. Prins Claus mocht zijn werk niet meer doen. Het streek grote ondernemingen tegen de haren. En het volk ging erin mee, aangelokt door rijkdom en weelde. Delen was er niet meer bij. 
Nu komt het Zuiden trouwens noodgedwongen halen wat we toen niet met hen wilden delen.

dinsdag 24 november 15
De recente aanslagen in Parijs zorgen voor schokgolven. Onze leiders worden alert en nemen maatregelen - de verkeerde. Straks valt de leiding als een rijpe appel in handen van het Front National en de PVV. Wat het ook zo in '33?

2 september 16, vrijdag
Ik ben slecht voorbereid op dit lichamelijk verval, de pijn, het ongemak, de stijve spieren, nooit meer 100% zijn, altijd wel ergens pijn, moe, bijna altijd, en dan de dood die me wacht, de aanloop er naartoe, nog meer verval, hulpeloosheid, kiezen die wegvallen, poep en pies buiten controle, anderen die zich ermee gaan bemoeien en mijn weerstand die het begeeft.
Ik las over een schrijver die net als ik één boek heeft gepubliceerd. Hij woont driehoog achter, heeft zijn leven lang gesappeld om te kunnen schrijven en dan krijgt hij een tumor. Hij schrijft een blog, wordt beroemd, men gaat zijn boek alsnog lezen, zes nullen kan hij krijgen, krijgt hij, maar hij gaat dood, er ligt een pistool op zijn nachtkastje. En toch: "Ik wilde schrijven."

6 september 16, maandag
Nog steeds heel warm. Elk gesprek begint met "Warm, hè?"
Ik ben opgegroeid met de overtuiging dat vroeger alles minder goed was. Thuis en op school leerde ik over armoede en misère in de tijd van mijn grootouders en ouders. Op de sociale academie ging het over het beter maken van een slechte wereld. Bij Stefan Zweig (Die Welt von gestern) lees ik over de wereld van eind negentiende eeuw, die nota bene beter was dan de onze in 1960! Ik lees over alle voorzieningen van die tijd en over het op grote schaal terugdringen van de armoede. Mensen hadden het goed, van de baas tot en met de dienstbode. Ze hadden huis en haard, allebei. Ze hadden zich verzekerd en zetten geld opzij voor later. En toch durfden ze het in 1914 aan om deze brave new world in de waagschaal te stellen, te vergokken, eraan te geven in ruil voor... een grote schoonmaak. Het zou vijftig jaar duren eer ze het weer zo goed hadden - in West-Europa. 
Alles op het spel gezet voor een oorlog. Gaan we dat nu weer doen?

9 september 16, vrijdag
Paul Theroux bekijkt China (Riding the Iron Rooster). Rode Gardisten noemt hij de Provo's van China, de 68-ards, de generatie 25 de Abril. Het was een globale beweging. Een generatie zonder respect voor gezag, die allereerst aan zichzelf dacht, altijd en overal. Een generatie van consumenten, van kopen, kopen, kopen. De generatie die aan de macht is. 
 
14 september 16, woensdag
Merkel heeft gezegd, dat we tegenwoordig in een marktdemocratie leven. In 1789 hebben we de macht aan politici toevertrouwd, die de absolute vorsten hadden vervangen. Dezelfde politici hebben die macht dik tweehonderd jaar later kennelijk weer aan de regenten afgestaan. We zijn terug bij af.  
Durão Barroso, ex-Lichtend Pad, ex-premier, ex-EU, kan voor vijf miljoen per jaar voor Goldman Sachs gaan werken. Waarom 'de politiek' daar juist nu schande van spreekt, geen idee, maar ze doen het, in koor.

16 september 16, vrijdag
Wat zegt dit over ons: "Van mij mag de les veel langer duren. Dan kan ik mijn hart luchten." Zegt een leerling. Tegen mij, de leraar Portugees. Waar hij komt om Portugees te leren. Op eigen initiatief, niet verplicht. 
"It is you, Gerrit," hoor ik vriendin M. zeggen, "It is who you are." Zal best. Maar het is ook wie wij zijn geworden. Egocentrisch, zonder oren, zonder aandacht, zonder oog voor een ander.
Trump wordt nog president van de VS, zul je zien. De tijden zijn er naar. Met Obama koos men in 2008 een opportunist, iemand met evenveel bagage als zijn voorganger. Deze keer kiest men voor de populist en tegen het establishment. Je zult het zien over twee maanden.
 
18 september 16, 7.34 uur
Oud, en der dagen zat. Honderd jaar geleden was het ook zondag (18.9.1972). Ik ontwaakte na een onrustige en korte nacht. Daarna zag ik de nieuwe situatie onder ogen. Ik was dus homofiel. Nou, vooruit dan maar. Eindelijk duidelijkheid. Die namiddag haalde A. mij op in de Opel Ascona van zijn vader om een stukje te gaan rijden. De vorige nacht op de brug, de hege brêge, had ik tegengesputterd, ja zelfs ontkend. En tijdens die rit volgde een nieuwe discussie. Ik gaf me niet zomaar gewonnen. A. zou me er weken later op wijzen dat je elkaars hand vasthield als je verliefd was en dat je seks met elkaar had. Daarna ging het nog niet van harte. Ik was te bleu, te bang. Onbekend terrein, waar ging dit heen?

22 september 16, donderdag
Ik denk dat het vakje "hs" niet voor mij was. Het paste me niet.

21 november 16, maandag
21.12 - Een speler van Atlético is woedend en bijt CR7 toe: Jij bent een flikker. Waarop CR7 antwoordt: Maybe, but I am loaded. 

22 november 16, dinsdag
Deze dag zal voor mij toch altijd de dag blijven waarop JFK werd doodgeschoten.
De confrontatie tussen die lul van Atlético en CR7 gaat de wereld rond. De fascinatie van mensen voor hs irriteert me zonder einde. Ze MOETEN het weten. Wie niet bekent, wordt veroordeeld, die is laf of hypocriet. CR7 is niet meer of minder homo dan de meeste mensen. Ze dwingen "de waarheid" af. Zoals ooit die man op mijn werk mij een bekentenis afdwong. Hij vermoedde iets, rook onraad, voelde zich onveilig, wilde er de vinger opleggen, treiterde me daarom eindeloos, totdat ik me niet meer kon inhouden, op de tafel sloeg en eiste te weten wat hem dwarszat. Het is die speler van Atlético die op de pijnbank van de publieke tribune moet, niet CR7. 

29 november 16, dinsdag
9:32 - Ik heb er weer schoon genoeg van. De dag is iets meer dan drie uur oud en ik wil alweer dood. Vrede met de wereld, vrede met mezelf, vrede met wie ik ben - dat mis ik, dat heb ik nodig. De Boeddha van Nazareth heeft het me ooit geleerd. Ben ik die lessen vergeten? Lessen in nederigheid, lessen in mededogen, lessen in begrip. Ik erger me alleen maar. Ik naai mezelf op. Ik voer woedende monologen in mijn hoofd. Als ik wapens had, zou ik elke dag een bloedbad aanrichten. Ik beklaag mezelf. Ik ben verongelijkt. Voortdurend.
14:25 - Het gaat weer wat beter. Ik ben gewoon moe, dat speelt mee, aan vakantie toe of aan lezen en schrijven, mijn gedachten in fictie kunnen omzetten, zonder gestoord te worden, in een kamer met uitzicht op de oceaan, als Mr Cornwell, alias John le Carré. Allez!
 
12 december 16, maandag
19:48 - De Britse gezondheidszorg staat op het punt van instorten, bericht de Guardian. Natuurlijk! Als de politieke macht is overgedragen aan de economische macht - zoals Merkel bevestigde - dan gaan aandacht en geld allereerst naar de banken, de markten, de economische agenten. Zo schiet een goede gezondheidszorg voor de meeste mensen erbij in. En ook hun veiligheid lijdt onder een goedkopere politie- en legermacht. De economische agenten vreten al het geld op.

26 april 17, woensdag
Privatiseren doen we niet omdat het volk er baat bij zou hebben. Dat is het smoesje, de leugen om bestwil. Nee, we privatiseren om er zelf beter van te worden, meteen. Zie Madrid, sinds de 21e weer in het nieuws omdat zovelen in de stadsregering zich hebben verrijkt dankzij... de privatiseringen.

23 juni 20
Lord's Day, so up betimes and to the kitchen. 
Wanneer de bestaande orde tekortschiet, gaat de deur open voor alternatieven. In onze tijd is dat voor types als Baudet, Trump en Boris Johnson, Duterte, Bolsonaro en Orban. Om er een paar te noemen.
 
31 oktober 22
Lula (77) is de nieuwe president van Brazilië. Het lijkt erop dat we tegen het einde van het Westerse Rijk alleen nog keizers en consuls hebben die òf oud zijn, uit betere tijden stammen en die ook betere tijden hebben gekend, òf die uitpakken als ongeleide projectielen. 

2 november 22
Koud! 14⁰ om 7 uur. En om 8 uur nog steeds. 
Ook de Israëliërs kiezen voor wat was en niet meer is, wat aan het verdwijnen is, de wereld die ze zich menen te herinneren. 

 6 juni 23, dinsdag
11:58 uur - Ik moet steeds denken aan de 6e juni 1944. Hoeveel soldaten waren tegen deze tijd al gesneuveld. Voor de fouten van onze leiders, voor onze laksheid. Mensen, wij zijn het: mensen. Niet Nazis: wij mensen. Niet de Belastingdienst: wij mensen. Niet een verouderd computersysteem: wij mensen. Niet de regelgeving of de protocollen: wij mensen. 

Porno dagboek

4 juni 22

Op GayBoys Tube is het om te wenen. Film na film met eenlingen voor een camera of gasten voor wie seks de routine en de normaliteit van heteroseks heeft gekregen: eerst a, dan b, dan c, heel netjes en volgens protocol. En omdat het voor de camera is, zijn ook hun blikken helemaal zoals het hoort. Ooit maakte dit heteroseks zo saai dat iedereen vreemdging.

17 mei 23

Alweer geen enkele film op GayBoys Tube die me aanstaat. Alleen maar tiepgeiten, oftewel gasten met een webcam en een toetsenbord. En zogenaamde "Classics" en "Vintage" - het verschil tussen die laatste twee is me onduidelijk. O ja, en straights zijn populair, gasten die elkaar meteen gaan kussen of hem al hebben staan zodra ze worden aangevat. Labels werken niet, of alleen voor psychiaters en zorgverzekeraars.

21 mei 23

Sommige webcammers lijken meer op kantoorpikken, van die tiepgeiten die iets voor me moeten opzoeken op de computer en dat niet 1-2-3 kunnen vinden. Eeuwig zijn ze in hun blootje met hun toetsenbord in de weer, pik in de aanslag, en aan hun gezichten kan ik zien hoe ze telkens denken: Waar is het? Wat is het? Is dit het? Ja, daar is het! Nee, toch niet! Moet ik het hier van verwachten? Of toch van dat? Enz. Zielig.

Geestelijke gezondheid

26 oktober 22 
Er zijn mensen die menen dat ze Churchill zijn of Thatcher. Die worden door verstandige mensen opgevangen en behandeld. Tenzij het om [Britse] politici gaat. Dan worden ze door kiezers tot hoge ambten geroepen.

donderdag 30 maart 2023

Portrait

PORTRAIT OF A MAN LIFE-SIZE

 

BY

 

GERRIT JAN VAN DER DUIM

 

 

FOR RACHEL

 

 

 

 

 

 

 

Listen what happened to me because I lived next door to a Secretary of State.

Now don't think I lived in a smart neighbourhood. They were Victorian houses, built in the middle of the last century. Good, square, solid houses they were, but not properly looked after by their previous owners and then sold on to whoever wanted to buy them, some thirty years ago.

They had plenty of space. Each house had a basement, a garden in front and behind. Our terrace even had a public garden across the street.

When I bought my house, the council had assured me that there were no plans for any new buildings. They preserved every tree and shrub, they said.

But ten years later, the effects of the baby boom caused sacred values to lose value: a block of flats was built right opposite my house. It was only four storeys high, very modest I admit, but they were four too many. And in the end they meant the downfall of our street. But let's not rush on ahead and forget about the details. There's my basement for instance.

I still feel sentimental when I come to speak of it. I am homeless now but once I was the proud owner of a house with a basement. A small flight of stairs, down of course, and a green door with a brass handle opened to a tiny square hall in which a light was always burning. There followed a second door, into the living room. It was a short rectangular room, painted in bright colours. The windows were placed high and gave me a view of the front garden. From my armchair beside the fire I could just spot the long stems of flowers strong-minded enough to skirt the concrete paving stones.

I actually came to live in my basement. Quite soon after I had acquired it, the house above proved too big for my aspirations. I lost myself in the multitude of rooms and felt like ever extending jelly, flatter and flatter. So I decided to let it to a Swiss couple. They were usually on the continent, travelling, and the concrete paving stones were their idea of a garden.

At that time, I did not ask more of life than food, quiet and the arts. The basement provided me with the right amount of space to feel at ease. No extra rooms to fill with yet another aspect of my personality, or to paint with different colours, to furnish with new paintings and challenging books, thereby perhaps wakening deeply buried emotions.

Its limitations gave me a sense of security. I could feel the four walls surrounding me. There was a front door and a back door and everything else was in between them. Above me I knew the solid structure of the house, and whole floors looked after by other people. I felt unexposed, like a chick under a hen.

Beside a living room I had a small kitchen, where I prepared my meals, and a bedroom with a radio and television - a perfect hide-out. The back garden was mine and bordered on the garden of the Secretary of State.

As I said, it wasn't the kind of neighbourhood where you would expect a high-ranking politician to live. But then he had only recently become a Secretary of State. Before that he used to be a very unobtrusive Member of Parliament. I had never known him to make a speech, either in Parliament or at meetings reported by the press. To be true, he hardly rose from his seat. You would find him working at his home most of the time, where he read every paper both Government and Opposition produced, and made comments on them for his colleagues, who would benefit from his knowledge at their own public appearances.

The sudden death of his predecessor, however, had promoted him to the rank of Secretary of State. It was explained to the nation that his appointment was only due to the fact that every other available candidate was busy working for the coming election. My neighbour was to be replaced soon after that.

It wasn't a very lucky start, to say the least, but he must have considered it his chance of a lifetime because, to the surprise of everyone who followed politics, he developed a kind of enthusiasm for the job unknown to his colleagues, who were by then worn out by five years of governing. With great style he took every possible issue nearing his field of concern in his stride, gaining the admiration of most seasoned commentators and some intrigued colleagues from both sides of the House.

One of the problems in which he became immersed was the matter of the flats opposite our terrace. But first, let me tell you what preceded his involvement.

One day, a big yellow crane was wheeled into our street. Lots of important people milled around, as they usually do when some new project is about to start - and workmen of course. They planted the crane right at the very edge of my front garden. Its tentacles, with which it prevented itself from falling either side, seemed to take root in the asphalt and concrete, and out of my armchair I saw yet another stem in my garden.

The crane had come to demolish the block of flats opposite my terrace. There were no longer enough young couples to live in the apartments. The rise in birth-rate had been brought to a standstill and the effect of this was felt all over the country. Our city was hit even worse than average. Because of the downfall of our main industry, unemployment grew rapidly, leaving scores of people with little money to spend. In a way, the block of flats had become superfluous and expensive as well. So great had been the cost of this still recent building that the council had to levy very high municipal rents to meet its interest charges. In short, the council had decided that the ground was to be sold to a private company, which intended to build a multi-storey car park on the site. The remaining inhabitants of the flats had been offered housing in low rise developments.

I felt I had no say in the matter. Who was I to oppose a city council fighting off the effects of a depression that hit the whole country? Besides, it only came to the attention of most people long after public notices had been hung on lamp posts and remaining inhabitants had been consulted. It was the crane that made everyone aware what was about to happen. Suddenly the city seemed crowded with youngsters carrying banners and wanting all sorts of things. Even some of my hitherto quiet neighbours joined in the protest. They formed a committee, focusing on the need for green areas. But so did the middle classes, who were anxious to find good parking space.

Apparently it wasn't the right time for disagreements. Within weeks the matter had gotten completely out of hand. There were clashes between the opposing parties and with the police. Barricades were thrown up by youths to prevent workers from continuing their job. Backed by a slightly positive tendency in reports by the press about their case, the youths declared the city council illegal and the street theirs. In a last effort to show who was really in control the authorities erected fences on either side of the street. These fences were too high to climb over and they had a door, a kind of checkpoint guarded by extra police that had been drafted in from other areas. Everyone who entered the street had to show some kind of identity card to be allowed entrance; only the Secretary of State had a key to both doors in case he was urgently needed in Cabinet.

At this stage all work on the block of flats had stopped. The eyes of the nation had made our local political leaders impotent. They waited for others to decide and act.

I did not feel very happy in my basement any more. I thought of moving to friends for a while until things had been sorted out properly and a new situation settled to everyone's satisfaction. But could I leave the basement unguarded, knowing there might be more violence in the near future? In a weak moment I confided my sorrow to my neighbour, the Secretary of State. He had not had my vote, but still, he was my neighbour.

What did he think about it, I asked him? And could this go on for ever?

We were standing near the checkpoint on the east side of our street. I had returned home for lunch, he was about to leave.

"No, no", he said. I was quite right. This was sheer madness, loony left, no less. And he intended to do something about it this very day. He already had all the necessary information in his briefcase and he was going to take it up with Cabinet. There they would know how to deal with these matters.

"Mark my words", he said. "Tomorrow morning work will be resumed and by the end of the day the top floor will have been removed."

It wasn't the job, you see. And he didn't fear the resistance. If you got things moving, the other parties would see their defeat soon enough.

"But mum's the word. Don't mention anything to the press until you have seen the results."

He left in a hurry, his key in his pocket, with a salute from the policemen on duty. He looked very reassuring, a man about to be tested on his deepest beliefs and instincts, knowing he would gain from the experience.

I felt very pleased, almost comfortable, and full of gratitude towards the party that produced men like my neighbour. At times like this they knew how to take the burden from their voters' shoulders; quite different from the ineffective local authorities.

I went to bed late that night, cheered up because of these sudden developments and the better outlook on the future. It made me more confident and energetic, as if I could go on for days without a rest, wanting to taste the meaning of every minute I lived.

There seemed no need to call my friends. I could very well cope with a few more weeks of fences and checkpoints now that I knew there was to be an end to all this.

 

The following morning, I woke early to the sounds of shouting workmen and the din of the crane starting its engines.

He'd done it! My neighbour, my Minister had actually been successful. He would definitely have my vote this time, I thought instantly, overwhelmed by a feeling of unity, as when listening to the Queen's Message on Christmas Day.

Breakfast was ready in twenty minutes. I had decided to have a proper one, in the living room: juice, cereal, bacon and eggs, toast and marmalade, and coffee to finish it off.

As I sat down there was an explosion, like those you hear in war films, immediately followed by confused shouting of people in panic. I looked up through the window and saw the crane topple over, very slowly, towards my house.

 

I met my neighbour again at a hastily arranged press conference in a nearby primary school late that morning. I was among a crowd of people, neighbours, politicians, journalists, social workers and ordinary citizens, but he picked me out as soon as he entered the classroom.

"I’m awfully sorry about your house", he said, "but we'll see to it that you'll get sufficient compensation as soon as things are back to normal. You can stay with friends of course."

He gave me no time to burden his conscience with my sorrow, but headed for the microphones. They were to be his new life.

 

I never met him again personally. He dominated the screen and the headlines, then moved to another neighbourhood and a grander house after his party had won the elections because he had "so brilliantly handled the affair."

I was left behind without my basement to protect me. Of course I stayed with friends. They took care of me very kindly. And my insurance provided me with a lot of money, enough to buy a new house, especially after the council lost its case and had to pay me a heavy compensation. But I never got round to buying a new property again. I realised there was never going to be a second basement for me. Without the safety of the four walls surrounding me I saw what dreams I had been dreaming inside them. Their security was wafer thin. Paradise had been lost; the innocence of life had gone with it. Quiet was beyond reach and the big world lay ahead for me to fill with what was left of me.

 

1988

zondag 26 februari 2023

De bokser

Het strand bij Lower Largo. Een klein dorp in Fife, huizen en tuinen tot vlakbij de zee. Zo dichtbij is de kustlijn dat de golven bij vloed tot de tuinmuurtjes reiken. Aan het einde van het dorp beginnen de duinen. Daar wordt het strand breder. Als zeewering zijn stenen gestort. Grote vierkante blokken beton liggen als een smalle verdedigingslinie tot de duinen uitgestrooid. Drie, vier kilometer lang strand en nauwelijks een mens te zien.
 Hier zat op een doordeweekse dag tijdens de zomer van 1958 een jongetje met zijn moeder voor een blauw zonnescherm. Zijn vader zat erachter. Die hield niet van de zon. Een al te bruine huid zou hem in de ring belachelijk doen lijken. Later in de middag, toen de zon minder fel was gaan schijnen, ging hij met het jongetje naar de waterrand. Hij stroopte zijn broekspijpen op en samen sprongen ze over de toppen van de golven tot het jongetje omviel en kletsnat door zijn vader naar het scherm werd gedragen. Zijn moeder had zitten toekijken en sigaretten gerookt. Nu stond ze klaar om het jongetje van zijn vader over te nemen. Ze kleedde hem uit, droogde hem af en zette hem met een snoepje in de mond in een eerder die middag gegraven kuil. Daar zat het jongetje toen, en hij keek over de baai naar de heuvels aan de overkant. Toen viel hij in slaap, zijn hoofd tegen de rand van de kuil, zijn benen onder zijn lijfje gekruld, bijna de hele middag vergeten. 
 Er is een foto gemaakt van het dagje aan het strand bij Lower Largo. Daarvoor had de vader de kuil nog dieper gemaakt. Het jongetje was erin gaan zitten en daarna had zijn vader de kuil weer vol geschept. Het hoofd van het jongetje stak boven de zandhoop uit. Hij had zijn hals gerekt om recht in de camera te kunnen kijken. Vlak naast hem, zijn arm achter het jongetje langs, zat trots zijn vader. Hij keek naar het jongetje, maar die zag het niet. 
 Op een andere foto van die middag, een foto die wel bewaard is gebleven, zitten ze samen achter het windscherm, de vader en de moeder. "Wat waren ze jong," denkt het jongetje elke keer wanneer hij later naar de foto kijkt, "gepassioneerd jong, onverantwoordelijk jong. Ze dachten alleen aan zichzelf en aan elkaar." 

 Zijn vader was bokser. Toen hij drie jaar was kreeg het jongetje een paar bokshandschoenen kado en die avond nam zijn moeder hem voor het eerst mee naar een wedstrijd. Een tot dan toe ongekende sensatie kreeg vat op hem toen hij zijn vader de ring zag binnenkomen, samen met zijn tegenstander. Het jongetje reikte de hand uit naar die van zijn moeder naast hem, en tastte in de leegte. Toen hij opkeek, zag hij dat zijn moeder was gaan staan en met opgeheven armen, een sigaret in haar mond, in de richting van de ring stond te gebaren. Ze schreeuwde en juichte. Hij werd de stemmen gewaar van de mannen achter en voor hem en mengde de zijne met het gebrul van de menigte. Het jongetje voelde zich groter en groter worden en schreeuwde en gilde zoals hij niet meer had gedaan sinds hij een baby was. Alle lucht die hij in zich had kwam eruit. Hij proefde het zweet op zijn lippen, dat zout en zoet tegelijk was, en zijn lichaam reageerde onwillekeurig op de bewegingen van de massa. Er was geen hand meer of stem die hem ervan weerhield uit zijn stoel op te staan. En al die tijd juichte hij de verkeerde bokser toe.

 Op een dag was zijn vader weggegaan en niet meer teruggekomen. Die dag had het jongetje zijn bokshandschoenen in het zand op het industrieterrein achter het huis begraven. Zijn moeder had hem in een auto gezet, naast een man in een grijs pak die hij niet kende. Zelf was ze voorin de auto gaan zitten en een chauffeur had hen naar een groot huis gereden, in het midden van het land, waar geen zee meer was. 

 Toen de carrière van zijn vader ten einde was gekomen, hadden de kranten daar lovend over geschreven. Het jongetje kende hele passages uit zijn hoofd. "In de garage waar hij als monteur werkte, heeft hij ongetwijfeld de nodige spierkracht ontwikkeld. Gezegend met een natuurtalent en de bereidheid om hard te werken, bouwde hij een serie overwinningen op tegen aanzienlijke tegenstanders en werd zo reeds op zijn 21e de held waarop het publiek had zitten wachten. Tijdens wedstrijden kon hij gemeen uitslaan en was hij soms beangstigend fel, maar wie hem buiten de ring kende, roemde zijn hartelijkheid en goedaardig karakter." 
 Het meeste wist het jongetje nog van vroeger, alleen van het laatste was hem geen herinnering bijgebleven. 

 Lange tijd gebeurde er niets, tot het jongetje op een nacht wakker van een droom waarin zijn vader hem vanachter wilde nemen. Het enige dat het jongetje had kunnen doen was heel hard in de vinger van zijn belager bijten. Pas toen hij het bloed in zijn mond voelde stromen, had hij losgelaten. Zijn vader was achteruit geweken en had hem geschokt en ongelovig aangekeken, alsof hij de woede van het jongetje niet begreep. 

 De volgende dag reed het jongetje de 300 km terug naar waar hij vroeger had gewoond. 
 "Jij was bokser geworden als ik niet was weggelopen", zei de vader tegen zijn zoon en liet hem zijn tekeningen zien. 
Op grote witte vellen waren ze aan de kale muren geprikt. Haastige zwarte lijnen creëerden een bokser die in gevecht was gewikkeld met een nog minder gedefinieerde tegenstander en naar een kans zocht om uit te halen. 
 "Je had de bouw van een bokser, vechtlust, en geen angst. Je kwam mijn wereld binnen zonder dat ik er iets aan deed. Als kind van nog geen vier kende je elke bokser die ik je noemde, hun trainers en de scheidsrechters die ertoe deden. Meer dan je moeder maakte je deel uit van mijn wereld, meer dan een vader van zijn zoon zou kunnen verlangen. We waren een team, tot ik ermee kapte." 
 "Je liegt", zei het jongetje tegen zijn vader en samen bekeken ze de lijnen die een man leken te vormen, een jongen nog misschien, naakt. Ze openden zich aan alle kanten en lieten rode vlekken binnen, niervormige hemellichamen die in en rond de bokser leken te zweven. 
 "Ik kon niet anders. Boksen was alles voor jou. Je was niet geïnteresseerd in wat ik wilde. Er is een foto van jullie tweeën, moeder en jij, op het strand bij Lower Largo. Ik wilde er ook op. Ik wilde naast jou zitten, je lijf tegen mij aan voelen, je arm om me heen. Maar je wilde er alleen met haar op. Je zette me in een kuil naast het windscherm en van daaruit zat ik naar jullie te kijken. Eerder dus al, veel eerder dan jij denkt, heb je me aan de kant gezet."
 De vader spreidde zijn armen. Wilde hij het jongetje erin sluiten? Die kon het niet weten. Die zag het ook niet. Die zag alleen maar zijn vader, in ongedekte positie. Hij balde zijn rechtervuist zoals hij in jaren niet had gedaan en een lang niet gevoelde sensatie kreeg vat op hem toen hij toesloeg. 

 Amsterdam, 1991/1992

zondag 19 februari 2023

Een zoete waan


Een zoete waan

De burgemeester was gestorven en er moest een nieuwe worden gevonden. Dat ging niet zo gemakkelijk als de gemeenteraad wel wilde. De kandidaten die de commissaris van de koningin voorstelde maakten niemand echt enthousiast. Er was geen man of vrouw bij die het dorp iets te bieden leek te hebben. Bovendien moesten de altijd weloverwogen adviezen van de oude majesteit zelf worden gemist. Zij was ziekelijk en kon zich voorlopig niet met de sollicitaties bezighouden. Toen de politici het vervolgens af lieten weten en het zoeken opgaven was in kleine kring het idee ontstaan om iemand uit het dorp te vragen en die dan maar zelf te benoemen. Hoe ze op de jongen gestuit waren is niet meer te achterhalen. Feit is dat de dokter en de notaris op een dag bij hem op de stoep stonden, binnengelaten werden en vroegen of hij hun burgemeester wilde worden. Ze kenden de jongen allebei vanwege hun werk. De dokter had hem voor al zijn kinderziekten behandeld en de notaris was destijds gevraagd het testament van zijn ouders op te maken. Ze vonden hem intelligent, zelfstandig en erg innemend. De dood van zijn vader en moeder had de jongen vroegtijdig volwassen gemaakt. Hij leek een speels gevoel voor verantwoordelijkheid te hebben ontwikkeld en bezat een ernst die ze bij geen van zijn leeftijdsgenoten aantroffen. 
Toen de jongen hoorde dat de notabelen hem burgemeester wilden maken, was het alsof de hele wereld ineens tot volle bloei kwam. Hij raakte bedwelmd door haar geuren, in zijn oren zoemde het van geluk en hij voelde zich licht worden in zijn hoofd. Niet dat hij alles van burgemeesters wist en er van jongsafaan één had willen worden. Het was de uitverkiezing die zijn leven rond maakte, de eer die het dorp hem aandeed. Hij zou er de hele dag aan kunnen denken, om dan 's avonds met een voldaan gevoel naar bed te gaan. Zonder aarzelen stemde hij toe, en de dokter en de notaris liepen naar het gemeentehuis om de ambtenaren van het nieuws op de hoogte te stellen. 
Daarna gebeurde er wekenlang niets. De jongen ging overdag naar school, net als anders, en de avonden bracht hij thuis door, in stilte genietend. Zijn verkiezing koesterde hij als een geheim. Het was hem veel te mooi om met anderen te delen. Deed hij dat wel dan zou het geluksgevoel misschien verloren gaan en zijn leven alleen maar weer gewoner worden. Een enkele keer echter, meestal vlak voor het slapen gaan, knaagde er onrust aan zijn ziel. Dan was hij bang de dokter en de notaris niet goed begrepen te hebben. Was er tijdens de korte ontmoeting die hij met de twee had gehad echt niets meer gezegd dan wat hij had gehoord? Een antwoord op zijn vraag vond de jongen niet, omdat hij altijd snel in slaap viel. 's Ochtends leek de lichte paniek van de vorige avond alleen nog een gril, en hij zette zijn mijmeringen voort. Zolang de notabelen tevreden waren zou hij zich blij kunnen voelen. 
Het was uiteindelijk de dokter die na veel heen en weer gepraat op de jongen werd afgestuurd met de boodschap dat het uit was tussen hem en het dorp. Het burgemeesterschap ging naar een ander omdat hij ongeschikt was gebleken voor het ambt, dat kon de dokter hem officieel meedelen. Geen dag, nog geen uur had hij zich op het gemeentehuis vertoond, voegde hij er zelf boos aan toe. De notabelen hadden verwacht dat hij zich zou inspannen om hen en het dorp voor zich te winnen. Ze dachten dat hij alleen maar ontdekt hoefde te worden om in actie te komen. Maar uiteindelijk was gebleken dat ze zich hadden vergist.

Amsterdam, 19 april 1991 
Gepubliceerd Begane Grond 2/91 

maandag 2 januari 2023

Mist

Voor Kata

 

De volgende personages spelen een rol in Mist 

 

Art & Charlie – twee Engelsen met een opdracht 

de badmeester (†) – hij dreef het badhuis 

Balls – een gepensioneerde leraar en vertaler; getrouwd met Eve 

de dochter van de cafébaas van Vita ― getrouwd met de monteur 

de drogist – een cafégast; gelukkig getrouwd 

Eve – Balls’ tweede vrouw; niet te verwarren met de Maagd 

de inspecteur – Mixa; speciaal agent, in dienst van het Bureau 

Jörg – een verspieder en Leckerbissen uit Hamburg 

Kata – uitbaatster van het badhuis en pensionhoudster 

de Kok – heeft een keuken van naam; getrouwd met de Maagd 

Koop – coöperator; lid van het kaartclubje 

de Maagd – receptioniste; getrouwd met de Kok 

de Maître d’ – zoon uit het eerste huwelijk van de Maagd 

de monteur en zijn leerjongens – de mooie jongen van het dorp c.s. 

Mooi Haar – een vrijgezel; lid van het kaartclubje 

de organist – een cafégast; gelukkig getrouwd 

de oud-kruidenier – een weduwnaar; lid van het kaartclubje 

Rafael ― secretaris van de Maagd 

Robert ― een van de Maître d’s kelners; jongste zoon van de drogist 

Theo – chef van de inspecteur; de Maître d’s vader 

Tomi – een van Vita’s cafékelners; Kata’s neef 

de transporteur ― gescheiden; lid van het kaartclubje 

de Tweeling – twee waardeloze verdachten 

de voetballer – een goaltjesmaker, één van de groten 

de zonen van Vita ― twee van Vita’s cafékelners 


 

Woensdag

 

Balls, 63, Bostonian, vertaler van beroep en leraar Engels, hoewel niet meer praktiserend, had zichzelf gemaakt, vond hij.

Toen hij voor het eerst het verhaal hoorde van de Farizeeër die naar de tempel ging om te bidden en God dankte dat hij niet zo was als de andere mensen, egoïstisch, leugenachtig en ontrouw, kortom in niets leek op de tollenaar die even verderop zijn zonden stond te berouwen, was hem een sterk gevoel van verwantschap overvallen. Zo wilde hij ook zijn, zo wilde hij ook worden, wat heet, zo was hij bijna al. Verrukt over zijn vondst had hij zijn mond niet gehouden en bijgevolg was hij minuten later de straat op gestuurd. Voortaan had zijn moeder alleen zijn zus Bijbelverhalen verteld. Hoogmoed kwam in haar familie niet voor, dat had hij moeten weten. Niet lang na dit voorval had hij het geloof in de god van de tollenaar losgelaten en zichzelf naar zijn eigen goeddunken verder geschapen. Met als gevolg dat hij zich een dikke halve eeuw later gezegend voelde met een natuurlijke voorliefde voor vrouwen, zijn volwassen leven lang al door jongens werd aangelokt, een ziel bezat die naar eigen zeggen de zondvloed had overleefd, en bang was, altijd bang.

Dat laatste klonk trouwens erger dan het was omdat hij zijn angst als een gegeven zag. Ertegen vechten was om die reden zinloos, vergelijkbaar met het ontkennen van een geaardheid. Sterker nog, angst deed een mens goed, vond hij (al werd het hem zelf wel eens wat te veel). Iedereen in het Westen leek de geborgenheid van thuis en de familie te hebben verlaten, het huwelijk tot de dood hen scheidde of de vaste baan met recht op pensioen. Maar hij was blij dat er in hem geen avonturier als Columbus stak. En al was hij er één, dan nog zou het nergens toe leiden, daarvan was hij overtuigd. Want ver voor Gibraltar al zou hij de mist ingaan, de schepen doen omkeren, naar hun financiers terugsturen en aan de bemanning de wetenschap van de wereld als een pannenkoek verkondigen. Het voorkwam in ieder geval dat hij Amerika ging ontdekken en het land van haar inwoners roven. Soms gaf hij zelfs lezingen over het belang van angst, zoals tijdens zijn laatste uitstapje met alumni naar Washington D.C. Angst werd met uitsterven bedreigd, of anders raakte het wel vergeten, had hij bij die gelegenheid een bus vol met studenten en collega’s willen duidelijk maken. “Bedenk hoe de meesten van ons onze angst om harder te rijden dan twintig bijna zijn vergeten,” had hij hen met een blik op buiten in herinnering gebracht. Ze waren net een half uur eerder de New England Thruway opgedraaid. “Waardoor er nog maar een enkeling vannacht wakker zal liggen van de drieduizend doden die er vandaag weer in het verkeer zijn gevallen, wereldwijd.” “Een mens, wil hij mens zijn, moet wel bang zijn,” had hij zonder gêne verkondigd. “Om het op een lopen te kunnen zetten en een schuilplaats te zoeken als hij wordt bedreigd of aangelokt.” “Alle dieren zijn bang,” had hij ook nog in de microfoon had geroepen. “Alleen als je te bang bent gaat het mis. Dan komen ze je halen.”

Wel zou hij de laatste zijn om te ontkennen dat er tijdens zijn vorming iets was gebeurd of scheefgelopen waardoor hij op een gegeven moment zijn ogen niet meer van jongens had kunnen afhouden. Al ontglipte het hoe en wat hem altijd, als een droom die bij het wakker worden nooit meer dan een paar seconden tegen de werkelijkheid standhield. Zijn eerste vrouw had nog geprobeerd om het uit hem te peuteren, Eve was er gelukkig niet meer aan begonnen.

Eve, zijn Eefje, met wie hij krap een generatie scheelde, kon zowel ordelijk zijn als chaotisch, ordentelijk zowel als zinnelijk, huiselijk als ongedurig, bijna gelijktijdig een schuchter meisje en een sensuele vrouw. Als het om zijn lusten naar jongens ging, bij uitbreiding die van echtgenoten en alle overige mannen, weifelde ze tussen ‘onmogelijk’ en ‘natuurlijk’. Onmogelijk dat mannen naar jongens en naar elkaar verlangden, maar natuurlijk deden ze dat. Wat ze vond hing van haar stemming af, het uur van de dag, wat ze op had, wie het haar vroeg en waarom. Alleen van gays was ze altijd honderd procent zeker. Die hadden een excuus, vond ze, en konden daarom, eveneens afhankelijk van hoe haar hoedje op dat moment stond, op haar medelijden rekenen, haar solidariteit of haar giechelige jaloezie.

Ook Eve had trouwens al een huwelijk achter de rug. Om Balls had ze tijdens de enerverende nacht van Bill Clintons presidentsverkiezing een wrokkige ex verlaten (Bostons hoogste wetsdienaar nog wel) en een bijna volwassen zoon. Tussen Kerst en Oud en Nieuw van dat jaar al waren ze getrouwd, vooral omdat Balls vond dat een huwelijk orde schiep. Sindsdien heetten ze aan zijn kant van de familie Balls en Eve, bijvoorbeeld, en werden ze door die van haar Eve en Balls genoemd. En was hij van huis uit een vleeseter, bij haar thuis mochten ze graag vis op tafel zetten. Zulke onderscheidende regels deden hem goed. Ze boden houvast, vond hij.

Zijn voorliefde voor orde was ook de reden waarom hij niet gay was. Gays kwamen uit de kast en hij was nooit uit de kast gekomen. Waarom zou hij? Gays waren een puur Amerikaanse uitvinding, redeneerde hij, die andere westerse volkeren alleen maar hadden overgenomen om ermee een einde aan hun seksuele verwarring te maken. Hijzelf echter had zich nooit verward gevoeld. En bi was hij evenmin. Dat was een soort derde geslacht, vond hij, en hij was van het eerste geslacht, honderd procent. Hij was een jongensspotter; zo zag hij zichzelf graag. De jongens die hem aanlokten leefden in een wereld parallel aan de zijne en dat mocht van hem zo blijven. Zag hij een gastje naar zijn smaak, dan moest daar (gedachtig zijn Farizeeër, en Eve) niets van komen, bewaarde hij hem ijverig voor later, zag hij hem ’s avonds in zijn fantasie wel terug. Geen Eros zou hem laten lijden, geen Adonis zou hem op de knieën krijgen.

Wat vrouwen anders dan Eve aanging viel hij op het type dat zaterdags, het liefst in de namiddag, het haar liet kappen, dure brillen droeg, onopvallend dure brillen, en mantelpakjes of ruimvallende blouses op niet al te krap zittende pantalons. Hij liep wel eens zo een pasgekapte vrouw na, volgde haar geur van een salon in Main St tot haar flat bij Bunker Hill Monument Park bijvoorbeeld; hij kon het gewoon niet laten.

Vrouwen met stijl trokken hem aan, of met een beroep, waarin ze bij voorkeur leidinggaven. Meestal waren het dezelfden die ook een zwak voor hem toonden. Ze moesten niet per se ongetrouwd zijn, zolang hij hun mannen maar niet onder ogen hoefde te krijgen, die bijna altijd teleurstellend bleken, te pijnlijk om aan te zien, van haar een tragische figuur maakten.

Vrouwen die hij meed, aan de andere kant, wilden gelijk zijn eerste vrouw in hem gaan snijden, hem openmaken en al zijn geheimen kennen. Hij bleef uit hun buurt als het kon, gaf hun ongezien de vinger als ze hem te dichtbij kwamen.

Was Eve degene met een aanleg voor talen (nog voor hij de basisgrammatica onder de knie had, wist zij al in grote lijnen wat mensen tegen elkaar zeiden, gewoon door haar zintuigen te gebruiken) hij had al jong ontdekt dat onderwijzen zijn talent was, en daarom geheel zijn eigen verdienste. Om in het leven verder te komen moest een mens echter meer dan één kunstje kennen, had zijn vader hem op zijn sterfbed bezworen, reden waarom hij ook had leren vertalen.

Het feit dat het Engels zijn moedertaal was weerhield hem er overigens niet van om het voor een vreemde taal te houden, op één lijn te zetten met de andere Europese talen die hij las, sprak, schreef en verstond, Duits, Frans en Italiaans. Strikt genomen was Engels van de Engelsen, redeneerde hij, niet eens een beetje van de Schotten of van de Welsen, ook al maakten die er graag gebruik van, en al helemaal niet van de Amerikanen, die de taal alleen maar hadden geïmporteerd.

“Hallo, mijn naam is Balls. Ik ben een koekoek, de tijdelijke bewoner van een andermans huis en daarom een gelegitimeerde voyeur.”

Met die woorden had hij zich tot zijn voortijdige pensionering jaar in jaar uit bij elke nieuwe klas geïntroduceerd als hun leraar Engels. Mensen beliefden van nature geen inkijk, doceerde hij dan vervolgens, reden waarom zij de Toren van Babel destijds zelf hadden laten instorten. Het was een theorie die veel van zijn collega’s voor belachelijk hadden versleten, maar in zijn ogen waren dat middelmatige vertalers en mannen zonder passie, die scab schaamteloos door plaie vervingen en hem uitlachten om zijn Herr Soundso voor Mr So-and-so. Zelf greep hij op verloren momenten nog altijd met verwondering naar woorden als duly, cute, mishap of poodle. Hij bekeek ze, raakte ze aan, tastte ze af, streelde ze; buitenissige getuigen van een andere werkelijkheid, artefacten die alles blootgaven wat er over hun gebruikers te weten viel, werkelijk alles.

Dat hij een ziel had, ten slotte, hield hij voor zich; zelfs Eve wist er niet van. De zijne was dus nog van voor de zondvloed, stamde uit een tijd toen de wereld volgens hem corrupt was geweest en vol van geweld. Maar hij had het overleefd, dankzij Noachs ark, die in tegenstelling tot wat de officiële versie wilde op de berg Ararat in tweeën was gebroken voordat de aarde was opgedroogd zodat hij lang had moeten zwemmen eer hij weer vaste grond onder de voet had gekregen. Zo lang zelfs, dat hij met een slijmhuid en vliezen tussen de tenen aan wal was gekropen en de evolutie als gevolg en tot zijn chagrijn weer praktisch van voor af aan had moeten beginnen. En dat allemaal (vond hij) omdat anderen zich niet hadden weten in te houden.

Het was waarschijnlijk de reden waarom Balls zelf altijd en overal overstromingen aan zag komen, want (zo vroeg hij zich af) hoeveel moest zijn wereld eigenlijk verschillen van die van zijn ziel om nog eens een zondvloed te kunnen voorkomen? Zat hij in de bibliotheek en begon het te regenen, maakte hij dat hij thuiskwam, bang als hij was voor het hozen dat kon komen, de aanhoudende regen die eerst het gras zou doen verrotten, dan het hout, vervolgens het beton en uiteindelijk alles wat mensen door de jaren heen hadden gebouwd, tot ook de laatste van hen zou zijn verdronken.

En om te vliegen was hij bang sinds zijn ziel hem had laten zien hoe ze bij zijn dood van elkaar zouden scheiden. Of beter gezegd net ervoor. Want op een dag zou hij die angst vergeten en naar China vliegen, waar de jongste van zijn zus in de tussentijd was gaan wonen. Maar hij zou er nooit aankomen. Zijn vliegtuig zou neerstorten en terwijl hijzelf zwaargewond en stervende was, zou zijn ziel aan een felgekleurde parachute langzaam op weg naar een ander leven glijden.

Als douceurtje, of ter compensatie, wie zou het zeggen, was deze hem in zijn slaap ultrakorte verhaaltjes gaan vertellen, die hij gewoon was als van eigen hand aan Eve op te dienen.

 

Zo diepte hij die eerste woensdag van augustus in de kantine op het middendek van de veerboot van 15.15 uur naar het eiland X. quasi uit zijn geheugen het verhaaltje van de dikke mensen op.

 

― De mensen werden dikker en dikker en bijgevolg werden hun auto’s groter en groter. Huizen moesten voor bredere wegen wijken of werden herbouwd omdat hun bewoners eruit puilden. Smalle straten lagen er verlaten bij. Hun laatste huurders waren met grote moeite door de brandweer bevrijd. Tegen het einde verdrongen al die dikke mensen elkaar.

 

EINDE

 

concludeerde hij.

― Enig ― zei Eve, en het klonk alsof ze het meende.

In de regel vond ze de verhaaltjes die hij vertelde wat dunnetjes (er gebeurde zelden iets) en in zulke gevallen kon ze kritisch zijn, maar vandaag hield ze haar mond en zei nog een keer ― Enig ― niet alleen omdat ze wist dat hij zichzelf te dik vond, maar ook omdat ze vermoedde dat hij somberde. 

Ondanks het feit dat hij hun aankomst vroeg had gepland, hadden ze drie ferry’s vol toeristen moeten laten voorgaan. De hitte in de haven was drukkend geweest en om de tijd te doden waren ze de nieuwe vakken gaan bekijken die de autoriteiten tijdens hun afwezigheid hadden gecreëerd in een poging de menselijke toestroom naar het eiland in bedwang te houden. Vijfentwintig hadden ze gemaakt, en alfabetisch genummerd.

— Godbetere, Eve — had hij geroepen. — Kiezen ze voor een alfabetische nummering, maken ze er vijfentwintig. Zijn ze bang dat anders de hel losbreekt?

Haar ― Och schat, geef ze de tijd. Wie weet maken ze er na de vakantie nog één bij — had niet lang geholpen want toen ze een half uur later het zelfbedieningsrestaurant binnenliepen moest hij wel zien hoe de meeste andere leden van zijn soort boven een koffie of een pilsje de tijd verdreven door zwijgend naar de schermen met vertrek- en aankomsttijden van de veren te staren.

― O God, om met zo een troosteloze menigte straks te moeten uitvaren ― parafraseerde hij Melville’s kapitein Ahab. ― Alsof het licht bij hen uit is. De herhaling van willekeurig welke soap moet wel een leerrijker ervaring voor hen zijn.

Vervolgens had ze de kale supermarkt aan de rand van het haventerrein voorgesteld, waar ze wist dat het zelden druk was. Zij was met drie van zijn favoriete kazen en een gerookte worst bij de kassa aanbeland, hij had alleen een fles water gekocht.

 

De oversteek met de veerboot van 15.15 was de voorlaatste etappe in hun reis van Boston naar het eiland. Elk jaar namen ze eind juli een halve cruise naar Europa, reisden ze zestien uur per trein en zaten daarna drie kwartier op de veerboot. Aan de overkant stond een huurauto klaar waarmee ze na aankomst naar Y. konden rijden, of liever gezegd naar net buiten Y., omdat daar hun villa stond, hun tweede huis. In de eerste week van november maakten ze de omgekeerde reis terug. Alleen het vorige jaar hadden ze de reis niet kunnen maken, toen zijn zus ziek was geworden, gestorven en begraven.

Hij had de villa twaalf jaar geleden in een opwelling gekocht, na zijn eerste en meteen ook laatste sessie met een hypnotherapeute. “Vertel het maar,” had ze tegen hem gezegd, en dat had hij gedaan. “In den beginne was de moeder,” was hij aarzelend begonnen. De vrouw was eroverheen gestapt en had hem met “Alles leidt terug tot de moeder” gerustgesteld. Daarna had hij met haar een verleden ontdekt dat hem aanstond, waarin een strand was voorgekomen, witgeel, breed en oneindig. Het had gebold, zij het maar een beetje, en warm aangevoeld. In de branding had een houten been gelegen en wat verderop een dode potvis. Aan de horizon waren zowaar de kustvaarders van zijn eerste kindertekeningen voorbijgegleden. “Meer is er niet,” had de therapeute na bijna een uur gezegd. “Accepteer dat nou maar en ga niet shoppen.” In haar branche beslist een ongewoon advies, dat hij nochtans zonder aarzelen had opgevolgd. Voortaan was een glimp van Cape Cod Bay voldoende om hem te ontroeren en zijn favoriete kleuren werden groen, geel en blauw, van Cape Cods bossen, stranden en water. Toen hij zijn moeders erfenis te gelde ging maken, had hij (in samenspraak met zijn ziel, die de VS allang moe was) voor een villa op een eiland aan de rafelrand van Europa gekozen, zij het nog ruim voor het Fluwelen Gordijn.

Acht grote badplaatsen en vele kleinere telde de zuidkust van het eiland, waar de meeste stranden lagen. Aan de noordkust was Z. van belang, historisch gezien en omdat het veer er aanlegde. Y., waar zijn villa stond, kon volgens de reisgidsen bogen op een fort uit 1402 en een badhuis dat uit Turkse tijden stamde. Het badhuis werd echter alleen door lokalen gebruikt en het fort was niet meer dan een hoogte met wat muren die amper een meter boven de grond staken. Wel wilde een bij toeristen populaire legende dat in de loop der eeuwen duizenden jongens en meisjes hun maagdelijkheid achter een van die muurtjes hadden verloren. Verder had hij gelezen dat de duinenrij tussen Y. en Z. tweehonderd of meer jaar geleden een vloedgolf had doorstaan. Drie op elkaar volgende golven waren de zeestraat tussen de vaste wal en het eiland binnengedrongen, elk wel tien meter hoog. In de havenstad waren maar weinig mensen aan de ramp ontsnapt. Ook andere dorpen en gehuchten langs de kust hadden grote schade geleden, maar Y. was nagenoeg ongeschonden gebleven. Een feit dat hem tevreden had gestemd, ook al had hij er pas na aankoop van zijn villa over gehoord. Een ritje naar het strand waar het de reuzengolven niet was gelukt toe te slaan behoorde tot zijn favoriete uitjes. Daar zette hij zich dan aan de vloedlijn neer en keek met zijn verrekijker (een simpele 8 x 21) naar de golven aan de horizon. Die leken hem in de verte altijd groter en wilder dan dichterbij, alsof ze zich op afstand en voor het blote oog onzichtbaar op een nieuwe vloedgolf aan het voorbereiden waren.

En dan was er het dorp zelf, Y.

Een dorp moest plat zijn, vond hij, vlak, geen enkel gebouw met meer dan twee verdiepingen, zelfs het gemeentehuis en het postkantoor niet. Alleen de kerk mocht hoger zijn dan de rest. Ook moest er een weg door lopen, het liefst een provinciale. En aan de rand wilde hij een groot veld vinden dat alleen voor de halfjaarlijkse kermis werd gebruikt en niets anders. De rest van de tijd moest het leeg liggen wachten, als een belofte.

Precies zo was Y. als hij het zich thuis in Boston voor de geest haalde. Het had alleen geen weg, wel een winkelstraat die het in tweeën sneed, van het westen uit gezien in links en rechts verdeelde. Links waren de straten naar abstracta als Vrijheid en Trouw vernoemd, rechts naar allesbepalende historische data uit de tijd van de veldslagen tegen de ongelovigen. Aan de linkerkant lagen de markt, de winkels, de meeste terrassen en bijna alle restaurants, aan de rechter de kerk, het kerkhof en het kermisveld. Links werd in hun afwezigheid Carnaval gevierd, had hij zich laten vertellen, rechts trok op Goede Vrijdag na zonsondergang en eveneens zonder dat ze erbij waren een koortje zacht zingend door de straten.

— Prachtig. Machtig — had hij gekraaid toen hij het dorp voor de eerste keer had bezocht. — Hoe krijgen ze het gemaakt?

 

En toch, ook al was hij voor het eerst in twintig maanden weer onderweg naar zijn eiland en zijn dorp, hij bleef in zichzelf gekeerd, somber en bang, banger nog dan anders. Tussen het bekijken door van de nieuwe vakken had hij op het woord inconsolable gekauwd en terwijl Eve door de delicatessen dwaalde en naar zijn kaasjes en worstjes zocht, had hij in gedachten gewerkt aan een eenvoudiger uitleg van de grammaticale regelgeving voor het stellen van vragen in het Engels. Verloren moeite, want zijn stemming was dezelfde gebleven. Totdat, dik een half uur later, het perfecte tijdverdrijf zich had aangeboden.

Een jongen had de boot bijna gemist, door zijn late aankomst een kleine ophef veroorzaakt onder de mannen die de ingang bewaakten, de toegang tot het veer. Ze hadden met hem geredeneerd en hij met hen. Drieënveertig uur was hij onderweg geweest, veertig daarvan had hij in een trein gezeten. Normaliter vloog hij, moesten ze weten, maar dit was een buitenkansje geweest. “Bitte, bitte, laß mich durch,” had hij hen gebeden. Telkens als hij aandrong hadden de mannen hem met opgeheven armen tegengehouden, totdat ze ineens hadden toegegeven, op het allerlaatste moment, toen de scheepshoorn het vertreksein al had geblazen, hadden ze hem nagekeken, alle drie.

Daarna was hij de trap op gedraafd, rugzak en al. Hij had het gehaald, hij had gemazzeld, dat had hij met zijn draf laten zien. Via de buitenkant van de veerboot was hij naar het bovendek gerend voor wat ongetwijfeld het eerste zonnebad van zijn vakantie ging worden. Met een bezweet en rood aangelopen gezicht was hij op een bankje gaan zitten, tegen een van de drie zwarte pijpen. Hij had een paperback tevoorschijn gehaald, Inseln getiteld, maar het daarbij gelaten. Even later had hij zijn te ruime T-shirt uitgetrokken, het in zijn vuisten samengepropt, er zijn gezicht mee afgeveegd, het als een kussen achter het hoofd gestoken en de ogen gesloten.

Het was vijf voor half vier. De veerboot had de haven met amper twee minuten vertraging verlaten en bevond zich al buitengaats. Het schip brak het water, bruiste aubergine rondom en sneeuwwit aan de boeg. Vijfenveertig minuten in het ongewisse. Voor wie op het land leefde stond op zee de tijd stil. Daar golden geen uren, dat was geen leven. Vanachter de reling lieten tientallen passagiers het ontregelende landschap aan zich voorbijgaan. Vandaag was het paars, morgen zou het groen kunnen zijn, dan grijs. Vandaag luierde de zee, morgen zou ze kunnen walsen. Van de winter ging ze teisteren, zoals ze altijd deed; ooit had ze de hele aarde bedekt, dacht Balls.

Hij bevond zich vlakbij het trapgat dat het zonnedek met het middendek verbond, had zich allang moeten omdraaien maar kon het niet. Hij bleef maar om en om naar de zee blikken en naar de Duitser staren, zijn tepeltjes in hun areolae bestuderen en met verwondering het nog maar net begroeide buikveld aanzien, tot hij tussen de gespreide benen een lui gezwollen seks ontwaarde en een paar prominente ballen daaronder.

Ineens keek de jongen op, regelrecht in zijn gezicht. En hij lachte erbij. Een lach als ‘jij bent erbij’, maar niet triomfantelijk, ook niet genadig, eerder als ‘kat in het bakkie’, en verrukt. Met grinnikogen die zeiden: Leuk, hè?

Het sneed hem de adem af. Zijn hartslag begon op te lopen.

Kolere, dacht hij, laat hem niet nog een keer naar me kijken.

Subiet draaide hij zich om, daalde de trap af, wurmde zich langs twee, drie andere varensgasten, nam vier, vijf, zes, zeven treden, zoveel als hij nodig achtte om uit het zicht van de jongen te verdwijnen. Op de tiende tree pas voelde hij zich weer een beetje veilig. Hier schoot hem het woord wippersnapper te binnen. Hij probeerde het zonder te haperen uit te spreken. Na een kleine honderd keer nam hij de rest van de trap terug naar de kantine, waar Eve gelukkig met een broodje kipsalade op hem zat te wachten.

Maar goed dat niemand het heeft gezien, dacht hij nog. Jakkes, wat was ik aan het denken?

 

 Toch was er ten minste één passagier die de schrik in de ogen van de toerist had genoteerd en de teleurstelling in die van de jongen met de rugzak. Staande bij de reling stelde hij vast dat de beslissing van zijn chef om hem juist deze verspieder mee te geven een gouden greep was gebleken.

Mixa, 42, een politieman geboren en getogen in de hoofdstad, was gewend om te observeren. Als voetbalfotograaf had hij naam gemaakt omdat hij wist waar te kijken en op wie te letten. In een oogwenk had hij de gelegenheidscheppers van de goaltjesmakers gescheiden, de dubbelspelspelers van de loyale types en de omstanders van de supporters, zelfs als hij werd geconfronteerd met een team dat hij nog nooit in actie had gezien. Hij zag wat zijn collega’s ontging: een moment van extase bij een paal, of de grote geldschieter, tegelijk ook maffiabaas en omkoper, net buiten het lichtveld. Tegenwoordig echter was hij inspecteur van politie, een speciaal agent, agent speciale zaken, bij het Bureau, dat bijna overal in de wereld werkte en waarvoor hij met de wet in de hand het kwade stopte, aan uitwassen en ongeremd plezier een einde maakte, zonder nadenken dingen doen als het kon onmiddellijk en ter plekke afstrafte, onder andere wat mannen en jongens met en onder elkaar deden. Zoals in een recente zaak die hij had geleid, van een graag geziene voetbaltrainer die zich door een clubje spelers van dertien had laten neuken. Een jaloerse rechtsachter had zijn maatjes rechtstreeks aan het Bureau verlinkt en de jongetjes, die naar eigen zeggen geen schade aan het gedane hadden ondervonden, hadden elke daad vrijelijk opgebiecht, zonder voorbehoud of overdrijving. De trainer was na een haastig proces tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. Voor alle zekerheid waren de betreffende kinderen aan de zorgen van een groep psychologen toevertrouwd.

Ieder mens speelde een rol, had het Handboek van het Bureau hem geleerd. Ieder mens droeg een vermomming, verborg zich achter een Venetiaans masker, om vooral door te kunnen gaan met wat hij eeuwenlang al had gedaan, zijn eigen leven leven, los van de heersende moraal. Als een katholieke Indiaan die hij eens in een kerk in Mexico had geobserveerd, die alleen maar voor het altaar boog omdat hij daaronder zijn oude goden nog steeds verscholen wist, zo ook leidde elke man overdag een geregeld bestaan, met geregeld eten en geregelde seks. ’s Nachts echter klom hij over de muur die de sportvelden van de weilanden scheidde en stond in de rij voor een jongen die speciaal uit de stad was gekomen om zich door iedereen die het maar wilde te laten neuken. (Ook dat had hij zien gebeuren.) Taak van het Bureau was het om zulke heidenen op te sporen, te isoleren en uit te roken. Oftewel ervoor te zorgen dat justitie ze aan de schandpaal nagelde, mannen die de passies van hun ziel als oude goden bleven cultiveren, behoeden, bewaren, sparen, handhaven of vrijwaren, maar vooral verborgen hielden. Want er was geen goed of slecht als er niet werd gestraft, stond er ook in het Handboek.

Onwillekeurig knoopte hij zijn colbertje los, sloot het weer omdat het jasje in de zeebries al te zeer wapperde en richtte de blik op het eiland waarnaar hij op weg was. De geelgroene heuvels leken hier en daar op bergen, vormden van oost naar west een lange rug die de horizon bijna helemaal afsloot. Keurig in het midden lag Z. Drie, vier kanten op kroop het omhoog, imponeerde het met gebouwen van Italiaans en Frans aandoende bouw. Hij onderscheidde de contouren van de centrale laan, het stadhuis halverwege en aan het einde de kazerne. Op de kade zag hij de taxichauffeurs tegen hun wagens geleund sigaretjes roken. Bussen werden in schuine vakken geparkeerd, klaargezet om aankomende reizigers naar het centrum te rijden en de dorpen in de omtrek te bedienen. Nog verder naar achteren, net buiten de tolpoort, ontwaarde hij waarachtig de grasgroene Mercedes 300d van de Tegenpartij, waarvan de chauffeur zo te zien ongeduldig zat te wachten op zijn vrouw.

Zij is dus ook aan boord, dacht hij.

Uit een briefing op het Bureau de dag ervoor was hij wijs geworden dat het paar op het eiland een exclusief hotel uitbaatte, hij als kok en zij als receptioniste. Haar zoon uit een eerder huwelijk zou er als maître d’ fungeren.

Zijn gedachtegang werd onderbroken toen hij in de stuurhut naast de kapitein een oude bekende herkende, aan diens lach: de lippen opgetrokken, de tanden door een spleet gescheiden bloot. Ooit had de jongen lange haren als van een Indiaan gehad en was hij in de hoofdstad zowel zanger geweest als prostitué.

Met een omtrekkende beweging verliet hij daarna het bovendek. De rugzaktrekker had zich weer aangekleed, zag hij, en leek te slapen, de kin op de borst en de linkerarm om zijn rugzak geslagen. Zijn blonde haren hingen als een zonnescherm voor zijn gezicht.

 

Aan de overkant was er van wachten of angst voor chaos geen sprake. Daar was het eerder opschieten geblazen, hoe sneller, hoe beter. Taxi- en buschauffeurs hadden de motoren al draaien terwijl de veerboot nog aan het afmeren was. Balls en Eve waren zelfs bij de eerste vertrekkers.

― Balls. Ba-halls. Joe-hoe. Hier. Kijk, hier is onze auto. Balls?

Ze laadden de koffers in, Eve kroop achter het stuur en weg waren ze. Voorbij de kiosken, het leugenbankje, de pissoirs, de tolpoort en de havengebouwen, weg van de terminal, de stad in, het eiland op.

Hij liet zich door zijn vrouw rijden, ja. Volgens haar reed hij als een novice voor het eerst op weg naar het bisschoppelijke paleis: dan te langzaam, want bang, dan te jachtig, want ongeduldig. Hortend en stotend, heen en weer geslingerd tussen afkeer en verlangen. Dat was niets gedaan voor de bestuurder van een voertuig op de openbare weg, vond hij zelf ondertussen ook. Bovendien was het al reden voor talloze aanhoudingen en zelfs enkele ontzeggingen geweest. Zijn rijbewijs was niet meer dan een papieren bewijs, het bewijs van een leugen. Eve echter reed als een chauffeur, een beroeps, een kunstenaar, een talent: toegewijd, en achteloos, één met de machine. Op een avond in februari waren ze naar het verjaardagsfeest van een oud-collega geweest, in Lowell, en op de terugweg hadden ze de US3 genomen. Er was een sneeuwstorm opgestoken en het verkeer was vastgelopen. “Het liet zichzelf vastlopen, kon niet anders, leek niet anders te willen dan vast te lopen. Alleen mijn auto reed zich los, met mijn Eefje achter het stuur,” had hij de dag nadien aan wie het maar wilde horen verslag gedaan.

 

De Duitse jongen had buiten Eve’s energieke optreden gerekend en zo het nazien. In de mêlée gevangen moest hij zijn glutäugigen Alte wel laten schieten; en de scheiding leek definitief: van noord naar zuid mat het eiland een dikke 50 kilometer, van oost naar west maar liefst 92. Wat hij een kwartiertje later ongewild wel oppikte was een oud mannetje dat op en bij het leugenbankje geen rust had kunnen vinden en voor de haventoiletten omscharrelde. Een goedgeschoren mannetje was het, zonder neus- en oorharen in zicht, een truitje met een werkje op een blauwe terlenka broek. Het ging meteen achter hem aan het pissoir binnen, blikte hongerend en wachtte tot hij positie zou kiezen. In plaats daarvan kwam de concurrentie: een magere Hein met een te grote bril op ietwat onzekere benen die zich aan de wasbak staande moest houden. Toen vervolgens een derde bejaarde door de klapdeurtjes kwam was het pishokje vol en wrong hij zich naar buiten. Hij kon de toerist met zijn ongewone, de normale maat ver overschrijdende Reinheitsbedürfnis moeilijk al vergeten.

 

Balls, aan de andere kant, zo ongelijk in woord en gedrag, was de jongen op de veerboot eigenlijk alweer vergeten, de afleiding voorbij, en het tijdverdrijf. Daarenboven had hij zich tijdens het eten van zijn broodje weer eens voorgehouden dat de voorbije dertig, veertig jaren zijn gezicht, zijn handen, zijn buik en zijn benen hadden geruïneerd, evenzeer trouwens zijn ingewanden. Zijn vel hing en het was verkleurd waar het samenkwam, in zijn hals, in zijn oksels en in zijn liezen. Zijn adem rook naar bedorven waar en naar een teveel van alles en zijn schaamhaar was even verwilderd als de Hof van Eden tegen de tijd dat Methusalem stierf, stelde hij zich voor. Zijn geslacht kroop steeds dieper weg in zijn velletje. Die aanblik kon hij geen jongen aandoen; het hoorde niet, had hij zich ingeprent, dat die op zijn leeftijd al wist wat hem nog te wachten stond.

 

Twintig minuten nadat hij en Eve de haven hadden verlaten zag hij in een kom beneden zich het lege kermisveld liggen. Ernaast lag het dorp met de rode daken, de palm- en pijnbomen en de kerktoren met dubbele trans, zo rank dat hij met waterverf getekend leek. Het fort bleef onzichtbaar achter de bomen. Meer naar links kreeg hij wel een blauwe glimp van de haven.

― Het is hier niets veranderd.

― Wat, schat?

Eve had net teruggeschakeld.

Hij herhaalde zich.

― Ja, is het niet zalig?

Hij zweeg omdat hij merkte dat zijn eigen woorden hem hadden ontroerd.

Eve nam nog meer gas terug om het pleintje te kunnen nemen dat toegang tot de Straat van de Winkels bood, een smal gebleven hoofdstraat, omzoomd door palmbomen waarvan de bladeren in het midden over elkaar heen bogen. Behalve winkels bood de straat terrassen, de VVV en een bank. Vanwege de overal slenterende vakantiegangers reed ze er bijna stapvoets doorheen, de linkerarm nonchalant op het portier gesteund.

Ze konden de haven nu ruiken.

Was hij toch gewoon al die tijd bang geweest, besefte hij, dat de gemeente de straat voor alle verkeer afgesloten en van het kermisveld een parkeerterrein had gemaakt. Alleen maar omdat hij deze keer een jaar had overgeslagen en langer dan anders was weggebleven.

Aan de haven was het helemaal druk. Er waren hier nog meer terrassen dan in de Straat van de Winkels, waaronder dat van hun favoriete pleisterplaats, café Vita, dat ook als hotel fungeerde. De weg liep er in een U omheen en bediende automobilisten, fietsers, voetgangers en skeelers tegelijk. De beide haakse bochten echter vertraagden elke vorm van snelverkeer. Uitzicht op de haven hadden vijf, zes, zeven imposante, in gele steen opgetrokken herenhuizen. Eve noemde ze altijd maîries omdat ze haar aan de Franse gemeentehuizen deden denken die ze zich van haar Grand Tour herinnerde.

Na tweehonderd meter sloegen ze de hoek om en dadelijk hadden ze het dorp en de drukte achter zich gelaten. De weg vóór hen volgde de krabbelende kustlijn. Links kroop het land verder uit zee omhoog, volgens de kaart op deze uitloper van het eiland wel tot 250 meter. De heuvelruggen waren met lage dennenbossen begroeid en amper bebouwd. Wel stond op een van die kammen hun villa.

Negen maanden van het jaar woonden ze op nog geen twee mijl van Boston Common, in een bruinstenen huis van drie verdiepingen dat tussen de beide wereldoorlogen was gebouwd en nog maar twee renovaties had ondergaan, de laatste naar Eve’s wensen uitgevoerd. Tijdens de overige drie maanden was de villa hun thuis. Het was een laag, witgekalkt huis met dikke muren, gebouwd in de vorm van een rechthoek die veel langer was dan breed. De balzaalachtige woonkamer bood uitzicht op de zeestraat en het vasteland. De keuken was van een modern kookeiland voorzien. De badkamer had een trompe-l’oeil van een raam in mozaïek uitgevoerd, Balls’ werkkamer had een bibliotheek en in de beide slaapkamers stond een houten tweepersoons bed. Het verhoogde terras aan de voorzijde was overdekt en met een Grieks aandoende colonnade opgetuigd.

Vanwege hun manier van reizen hadden ze nooit last van een jetlag, hooguit bij aankomst een wat verreisd gevoel. Voor hun komst luchtte een weduwe uit het dorp de villa en voorzag hen van proviand. Zo kon het dat ze die namiddag om kwart na zessen al aan weerszijden van de grote eettafel zaten, elk met een gegrilde zalm voor zich en een schaal gebakken aardappels. Balls dronk er bier bij, Eve witte wijn.

Er was zelfs tijd over om voor de zon onderging nog naar het strand te rijden.

― Hoelang hebben we erover gedaan, Eefje? — vroeg Balls toen ze de auto een kleine honderd meter achter de duinenrij had geparkeerd.

― Elf, twaalf minuten — schatte ze.

Hij liep over het veel vertreden zandpad tot waar het strand begon. Vlak voor de natte lijn, waar de vloed nog maar net een kwartier geleden het hoogste punt had bereikt, bleef hij staan. Voor hem braken de golven stuk, schuimend maar machteloos, niet meer in staat om hem ook maar natte voeten te bezorgen. Verderop was de zee groengrijs, doorzichtig groengrijs, exact de kleur van het water waar hij in zijn dromen soms in zwom, een deinende vlakte zonder horizon.

Even ging het door hem heen dat een ziel net zo goed obsessies en fobieën kon hebben.

Hij lachte kort om die gedachte, sjokte toen met kleine pas en lichtelijk voorovergebogen terug het zandpad af, naar Eve en naar de auto.