zondag 26 februari 2023

De bokser

Het strand bij Lower Largo. Een klein dorp in Fife, huizen en tuinen tot vlakbij de zee. Zo dichtbij is de kustlijn dat de golven bij vloed tot de tuinmuurtjes reiken. Aan het einde van het dorp beginnen de duinen. Daar wordt het strand breder. Als zeewering zijn stenen gestort. Grote vierkante blokken beton liggen als een smalle verdedigingslinie tot de duinen uitgestrooid. Drie, vier kilometer lang strand en nauwelijks een mens te zien.
 Hier zat op een doordeweekse dag tijdens de zomer van 1958 een jongetje met zijn moeder voor een blauw zonnescherm. Zijn vader zat erachter. Die hield niet van de zon. Een al te bruine huid zou hem in de ring belachelijk doen lijken. Later in de middag, toen de zon minder fel was gaan schijnen, ging hij met het jongetje naar de waterrand. Hij stroopte zijn broekspijpen op en samen sprongen ze over de toppen van de golven tot het jongetje omviel en kletsnat door zijn vader naar het scherm werd gedragen. Zijn moeder had zitten toekijken en sigaretten gerookt. Nu stond ze klaar om het jongetje van zijn vader over te nemen. Ze kleedde hem uit, droogde hem af en zette hem met een snoepje in de mond in een eerder die middag gegraven kuil. Daar zat het jongetje toen, en hij keek over de baai naar de heuvels aan de overkant. Toen viel hij in slaap, zijn hoofd tegen de rand van de kuil, zijn benen onder zijn lijfje gekruld, bijna de hele middag vergeten. 
 Er is een foto gemaakt van het dagje aan het strand bij Lower Largo. Daarvoor had de vader de kuil nog dieper gemaakt. Het jongetje was erin gaan zitten en daarna had zijn vader de kuil weer vol geschept. Het hoofd van het jongetje stak boven de zandhoop uit. Hij had zijn hals gerekt om recht in de camera te kunnen kijken. Vlak naast hem, zijn arm achter het jongetje langs, zat trots zijn vader. Hij keek naar het jongetje, maar die zag het niet. 
 Op een andere foto van die middag, een foto die wel bewaard is gebleven, zitten ze samen achter het windscherm, de vader en de moeder. "Wat waren ze jong," denkt het jongetje elke keer wanneer hij later naar de foto kijkt, "gepassioneerd jong, onverantwoordelijk jong. Ze dachten alleen aan zichzelf en aan elkaar." 

 Zijn vader was bokser. Toen hij drie jaar was kreeg het jongetje een paar bokshandschoenen kado en die avond nam zijn moeder hem voor het eerst mee naar een wedstrijd. Een tot dan toe ongekende sensatie kreeg vat op hem toen hij zijn vader de ring zag binnenkomen, samen met zijn tegenstander. Het jongetje reikte de hand uit naar die van zijn moeder naast hem, en tastte in de leegte. Toen hij opkeek, zag hij dat zijn moeder was gaan staan en met opgeheven armen, een sigaret in haar mond, in de richting van de ring stond te gebaren. Ze schreeuwde en juichte. Hij werd de stemmen gewaar van de mannen achter en voor hem en mengde de zijne met het gebrul van de menigte. Het jongetje voelde zich groter en groter worden en schreeuwde en gilde zoals hij niet meer had gedaan sinds hij een baby was. Alle lucht die hij in zich had kwam eruit. Hij proefde het zweet op zijn lippen, dat zout en zoet tegelijk was, en zijn lichaam reageerde onwillekeurig op de bewegingen van de massa. Er was geen hand meer of stem die hem ervan weerhield uit zijn stoel op te staan. En al die tijd juichte hij de verkeerde bokser toe.

 Op een dag was zijn vader weggegaan en niet meer teruggekomen. Die dag had het jongetje zijn bokshandschoenen in het zand op het industrieterrein achter het huis begraven. Zijn moeder had hem in een auto gezet, naast een man in een grijs pak die hij niet kende. Zelf was ze voorin de auto gaan zitten en een chauffeur had hen naar een groot huis gereden, in het midden van het land, waar geen zee meer was. 

 Toen de carrière van zijn vader ten einde was gekomen, hadden de kranten daar lovend over geschreven. Het jongetje kende hele passages uit zijn hoofd. "In de garage waar hij als monteur werkte, heeft hij ongetwijfeld de nodige spierkracht ontwikkeld. Gezegend met een natuurtalent en de bereidheid om hard te werken, bouwde hij een serie overwinningen op tegen aanzienlijke tegenstanders en werd zo reeds op zijn 21e de held waarop het publiek had zitten wachten. Tijdens wedstrijden kon hij gemeen uitslaan en was hij soms beangstigend fel, maar wie hem buiten de ring kende, roemde zijn hartelijkheid en goedaardig karakter." 
 Het meeste wist het jongetje nog van vroeger, alleen van het laatste was hem geen herinnering bijgebleven. 

 Lange tijd gebeurde er niets, tot het jongetje op een nacht wakker van een droom waarin zijn vader hem vanachter wilde nemen. Het enige dat het jongetje had kunnen doen was heel hard in de vinger van zijn belager bijten. Pas toen hij het bloed in zijn mond voelde stromen, had hij losgelaten. Zijn vader was achteruit geweken en had hem geschokt en ongelovig aangekeken, alsof hij de woede van het jongetje niet begreep. 

 De volgende dag reed het jongetje de 300 km terug naar waar hij vroeger had gewoond. 
 "Jij was bokser geworden als ik niet was weggelopen", zei de vader tegen zijn zoon en liet hem zijn tekeningen zien. 
Op grote witte vellen waren ze aan de kale muren geprikt. Haastige zwarte lijnen creëerden een bokser die in gevecht was gewikkeld met een nog minder gedefinieerde tegenstander en naar een kans zocht om uit te halen. 
 "Je had de bouw van een bokser, vechtlust, en geen angst. Je kwam mijn wereld binnen zonder dat ik er iets aan deed. Als kind van nog geen vier kende je elke bokser die ik je noemde, hun trainers en de scheidsrechters die ertoe deden. Meer dan je moeder maakte je deel uit van mijn wereld, meer dan een vader van zijn zoon zou kunnen verlangen. We waren een team, tot ik ermee kapte." 
 "Je liegt", zei het jongetje tegen zijn vader en samen bekeken ze de lijnen die een man leken te vormen, een jongen nog misschien, naakt. Ze openden zich aan alle kanten en lieten rode vlekken binnen, niervormige hemellichamen die in en rond de bokser leken te zweven. 
 "Ik kon niet anders. Boksen was alles voor jou. Je was niet geïnteresseerd in wat ik wilde. Er is een foto van jullie tweeën, moeder en jij, op het strand bij Lower Largo. Ik wilde er ook op. Ik wilde naast jou zitten, je lijf tegen mij aan voelen, je arm om me heen. Maar je wilde er alleen met haar op. Je zette me in een kuil naast het windscherm en van daaruit zat ik naar jullie te kijken. Eerder dus al, veel eerder dan jij denkt, heb je me aan de kant gezet."
 De vader spreidde zijn armen. Wilde hij het jongetje erin sluiten? Die kon het niet weten. Die zag het ook niet. Die zag alleen maar zijn vader, in ongedekte positie. Hij balde zijn rechtervuist zoals hij in jaren niet had gedaan en een lang niet gevoelde sensatie kreeg vat op hem toen hij toesloeg. 

 Amsterdam, 1991/1992

Geen opmerkingen:

Een reactie posten