Voor Kata
De volgende personages spelen een rol in Mist
Art & Charlie – twee Engelsen met een opdracht
de badmeester (†) – hij dreef het badhuis
Balls – een gepensioneerde leraar en vertaler; getrouwd met Eve
de dochter van de cafébaas van Vita ― getrouwd met de monteur
de drogist – een cafégast; gelukkig getrouwd
Eve – Balls’ tweede vrouw; niet te verwarren met de Maagd
de inspecteur – Mixa; speciaal agent, in dienst van het Bureau
Jörg – een verspieder en Leckerbissen uit Hamburg
Kata – uitbaatster van het badhuis en pensionhoudster
de Kok – heeft een keuken van naam; getrouwd met de Maagd
Koop – coöperator; lid van het kaartclubje
de Maagd – receptioniste; getrouwd met de Kok
de Maître d’ – zoon uit het eerste huwelijk van de Maagd
de monteur en zijn leerjongens – de mooie jongen van het dorp c.s.
Mooi Haar – een vrijgezel; lid van het kaartclubje
de organist – een cafégast; gelukkig getrouwd
de oud-kruidenier – een weduwnaar; lid van het kaartclubje
Rafael ― secretaris van de Maagd
Robert ― een van de Maître d’s kelners; jongste zoon van de drogist
Theo – chef van de inspecteur; de Maître d’s vader
Tomi – een van Vita’s cafékelners; Kata’s neef
de transporteur ― gescheiden; lid van het kaartclubje
de Tweeling – twee waardeloze verdachten
de voetballer – een goaltjesmaker, één van de groten
de zonen van Vita ― twee van Vita’s cafékelners
Woensdag
Balls, 63, Bostonian, vertaler van beroep en leraar Engels, hoewel niet meer praktiserend, had zichzelf gemaakt, vond hij.
Toen hij voor het eerst het verhaal hoorde van de Farizeeër die naar de tempel ging om te bidden en God dankte dat hij niet zo was als de andere mensen, egoïstisch, leugenachtig en ontrouw, kortom in niets leek op de tollenaar die even verderop zijn zonden stond te berouwen, was hem een sterk gevoel van verwantschap overvallen. Zo wilde hij ook zijn, zo wilde hij ook worden, wat heet, zo was hij bijna al. Verrukt over zijn vondst had hij zijn mond niet gehouden en bijgevolg was hij minuten later de straat op gestuurd. Voortaan had zijn moeder alleen zijn zus Bijbelverhalen verteld. Hoogmoed kwam in haar familie niet voor, dat had hij moeten weten. Niet lang na dit voorval had hij het geloof in de god van de tollenaar losgelaten en zichzelf naar zijn eigen goeddunken verder geschapen. Met als gevolg dat hij zich een dikke halve eeuw later gezegend voelde met een natuurlijke voorliefde voor vrouwen, zijn volwassen leven lang al door jongens werd aangelokt, een ziel bezat die naar eigen zeggen de zondvloed had overleefd, en bang was, altijd bang.
Dat laatste klonk trouwens erger dan het was omdat hij zijn angst als een gegeven zag. Ertegen vechten was om die reden zinloos, vergelijkbaar met het ontkennen van een geaardheid. Sterker nog, angst deed een mens goed, vond hij (al werd het hem zelf wel eens wat te veel). Iedereen in het Westen leek de geborgenheid van thuis en de familie te hebben verlaten, het huwelijk tot de dood hen scheidde of de vaste baan met recht op pensioen. Maar hij was blij dat er in hem geen avonturier als Columbus stak. En al was hij er één, dan nog zou het nergens toe leiden, daarvan was hij overtuigd. Want ver voor Gibraltar al zou hij de mist ingaan, de schepen doen omkeren, naar hun financiers terugsturen en aan de bemanning de wetenschap van de wereld als een pannenkoek verkondigen. Het voorkwam in ieder geval dat hij Amerika ging ontdekken en het land van haar inwoners roven. Soms gaf hij zelfs lezingen over het belang van angst, zoals tijdens zijn laatste uitstapje met alumni naar Washington D.C. Angst werd met uitsterven bedreigd, of anders raakte het wel vergeten, had hij bij die gelegenheid een bus vol met studenten en collega’s willen duidelijk maken. “Bedenk hoe de meesten van ons onze angst om harder te rijden dan twintig bijna zijn vergeten,” had hij hen met een blik op buiten in herinnering gebracht. Ze waren net een half uur eerder de New England Thruway opgedraaid. “Waardoor er nog maar een enkeling vannacht wakker zal liggen van de drieduizend doden die er vandaag weer in het verkeer zijn gevallen, wereldwijd.” “Een mens, wil hij mens zijn, moet wel bang zijn,” had hij zonder gêne verkondigd. “Om het op een lopen te kunnen zetten en een schuilplaats te zoeken als hij wordt bedreigd of aangelokt.” “Alle dieren zijn bang,” had hij ook nog in de microfoon had geroepen. “Alleen als je te bang bent gaat het mis. Dan komen ze je halen.”
Wel zou hij de laatste zijn om te ontkennen dat er tijdens zijn vorming iets was gebeurd of scheefgelopen waardoor hij op een gegeven moment zijn ogen niet meer van jongens had kunnen afhouden. Al ontglipte het hoe en wat hem altijd, als een droom die bij het wakker worden nooit meer dan een paar seconden tegen de werkelijkheid standhield. Zijn eerste vrouw had nog geprobeerd om het uit hem te peuteren, Eve was er gelukkig niet meer aan begonnen.
Eve, zijn Eefje, met wie hij krap een generatie scheelde, kon zowel ordelijk zijn als chaotisch, ordentelijk zowel als zinnelijk, huiselijk als ongedurig, bijna gelijktijdig een schuchter meisje en een sensuele vrouw. Als het om zijn lusten naar jongens ging, bij uitbreiding die van echtgenoten en alle overige mannen, weifelde ze tussen ‘onmogelijk’ en ‘natuurlijk’. Onmogelijk dat mannen naar jongens en naar elkaar verlangden, maar natuurlijk deden ze dat. Wat ze vond hing van haar stemming af, het uur van de dag, wat ze op had, wie het haar vroeg en waarom. Alleen van gays was ze altijd honderd procent zeker. Die hadden een excuus, vond ze, en konden daarom, eveneens afhankelijk van hoe haar hoedje op dat moment stond, op haar medelijden rekenen, haar solidariteit of haar giechelige jaloezie.
Ook Eve had trouwens al een huwelijk achter de rug. Om Balls had ze tijdens de enerverende nacht van Bill Clintons presidentsverkiezing een wrokkige ex verlaten (Bostons hoogste wetsdienaar nog wel) en een bijna volwassen zoon. Tussen Kerst en Oud en Nieuw van dat jaar al waren ze getrouwd, vooral omdat Balls vond dat een huwelijk orde schiep. Sindsdien heetten ze aan zijn kant van de familie Balls en Eve, bijvoorbeeld, en werden ze door die van haar Eve en Balls genoemd. En was hij van huis uit een vleeseter, bij haar thuis mochten ze graag vis op tafel zetten. Zulke onderscheidende regels deden hem goed. Ze boden houvast, vond hij.
Zijn voorliefde voor orde was ook de reden waarom hij niet gay was. Gays kwamen uit de kast en hij was nooit uit de kast gekomen. Waarom zou hij? Gays waren een puur Amerikaanse uitvinding, redeneerde hij, die andere westerse volkeren alleen maar hadden overgenomen om ermee een einde aan hun seksuele verwarring te maken. Hijzelf echter had zich nooit verward gevoeld. En bi was hij evenmin. Dat was een soort derde geslacht, vond hij, en hij was van het eerste geslacht, honderd procent. Hij was een jongensspotter; zo zag hij zichzelf graag. De jongens die hem aanlokten leefden in een wereld parallel aan de zijne en dat mocht van hem zo blijven. Zag hij een gastje naar zijn smaak, dan moest daar (gedachtig zijn Farizeeër, en Eve) niets van komen, bewaarde hij hem ijverig voor later, zag hij hem ’s avonds in zijn fantasie wel terug. Geen Eros zou hem laten lijden, geen Adonis zou hem op de knieën krijgen.
Wat vrouwen anders dan Eve aanging viel hij op het type dat zaterdags, het liefst in de namiddag, het haar liet kappen, dure brillen droeg, onopvallend dure brillen, en mantelpakjes of ruimvallende blouses op niet al te krap zittende pantalons. Hij liep wel eens zo een pasgekapte vrouw na, volgde haar geur van een salon in Main St tot haar flat bij Bunker Hill Monument Park bijvoorbeeld; hij kon het gewoon niet laten.
Vrouwen met stijl trokken hem aan, of met een beroep, waarin ze bij voorkeur leidinggaven. Meestal waren het dezelfden die ook een zwak voor hem toonden. Ze moesten niet per se ongetrouwd zijn, zolang hij hun mannen maar niet onder ogen hoefde te krijgen, die bijna altijd teleurstellend bleken, te pijnlijk om aan te zien, van haar een tragische figuur maakten.
Vrouwen die hij meed, aan de andere kant, wilden gelijk zijn eerste vrouw in hem gaan snijden, hem openmaken en al zijn geheimen kennen. Hij bleef uit hun buurt als het kon, gaf hun ongezien de vinger als ze hem te dichtbij kwamen.
Was Eve degene met een aanleg voor talen (nog voor hij de basisgrammatica onder de knie had, wist zij al in grote lijnen wat mensen tegen elkaar zeiden, gewoon door haar zintuigen te gebruiken) hij had al jong ontdekt dat onderwijzen zijn talent was, en daarom geheel zijn eigen verdienste. Om in het leven verder te komen moest een mens echter meer dan één kunstje kennen, had zijn vader hem op zijn sterfbed bezworen, reden waarom hij ook had leren vertalen.
Het feit dat het Engels zijn moedertaal was weerhield hem er overigens niet van om het voor een vreemde taal te houden, op één lijn te zetten met de andere Europese talen die hij las, sprak, schreef en verstond, Duits, Frans en Italiaans. Strikt genomen was Engels van de Engelsen, redeneerde hij, niet eens een beetje van de Schotten of van de Welsen, ook al maakten die er graag gebruik van, en al helemaal niet van de Amerikanen, die de taal alleen maar hadden geïmporteerd.
“Hallo, mijn naam is Balls. Ik ben een koekoek, de tijdelijke bewoner van een andermans huis en daarom een gelegitimeerde voyeur.”
Met die woorden had hij zich tot zijn voortijdige pensionering jaar in jaar uit bij elke nieuwe klas geïntroduceerd als hun leraar Engels. Mensen beliefden van nature geen inkijk, doceerde hij dan vervolgens, reden waarom zij de Toren van Babel destijds zelf hadden laten instorten. Het was een theorie die veel van zijn collega’s voor belachelijk hadden versleten, maar in zijn ogen waren dat middelmatige vertalers en mannen zonder passie, die scab schaamteloos door plaie vervingen en hem uitlachten om zijn Herr Soundso voor Mr So-and-so. Zelf greep hij op verloren momenten nog altijd met verwondering naar woorden als duly, cute, mishap of poodle. Hij bekeek ze, raakte ze aan, tastte ze af, streelde ze; buitenissige getuigen van een andere werkelijkheid, artefacten die alles blootgaven wat er over hun gebruikers te weten viel, werkelijk alles.
Dat hij een ziel had, ten slotte, hield hij voor zich; zelfs Eve wist er niet van. De zijne was dus nog van voor de zondvloed, stamde uit een tijd toen de wereld volgens hem corrupt was geweest en vol van geweld. Maar hij had het overleefd, dankzij Noachs ark, die in tegenstelling tot wat de officiële versie wilde op de berg Ararat in tweeën was gebroken voordat de aarde was opgedroogd zodat hij lang had moeten zwemmen eer hij weer vaste grond onder de voet had gekregen. Zo lang zelfs, dat hij met een slijmhuid en vliezen tussen de tenen aan wal was gekropen en de evolutie als gevolg en tot zijn chagrijn weer praktisch van voor af aan had moeten beginnen. En dat allemaal (vond hij) omdat anderen zich niet hadden weten in te houden.
Het was waarschijnlijk de reden waarom Balls zelf altijd en overal overstromingen aan zag komen, want (zo vroeg hij zich af) hoeveel moest zijn wereld eigenlijk verschillen van die van zijn ziel om nog eens een zondvloed te kunnen voorkomen? Zat hij in de bibliotheek en begon het te regenen, maakte hij dat hij thuiskwam, bang als hij was voor het hozen dat kon komen, de aanhoudende regen die eerst het gras zou doen verrotten, dan het hout, vervolgens het beton en uiteindelijk alles wat mensen door de jaren heen hadden gebouwd, tot ook de laatste van hen zou zijn verdronken.
En om te vliegen was hij bang sinds zijn ziel hem had laten zien hoe ze bij zijn dood van elkaar zouden scheiden. Of beter gezegd net ervoor. Want op een dag zou hij die angst vergeten en naar China vliegen, waar de jongste van zijn zus in de tussentijd was gaan wonen. Maar hij zou er nooit aankomen. Zijn vliegtuig zou neerstorten en terwijl hijzelf zwaargewond en stervende was, zou zijn ziel aan een felgekleurde parachute langzaam op weg naar een ander leven glijden.
Als douceurtje, of ter compensatie, wie zou het zeggen, was deze hem in zijn slaap ultrakorte verhaaltjes gaan vertellen, die hij gewoon was als van eigen hand aan Eve op te dienen.
Zo diepte hij die eerste woensdag van augustus in de kantine op het middendek van de veerboot van 15.15 uur naar het eiland X. quasi uit zijn geheugen het verhaaltje van de dikke mensen op.
― De mensen werden dikker en dikker en bijgevolg werden hun auto’s groter en groter. Huizen moesten voor bredere wegen wijken of werden herbouwd omdat hun bewoners eruit puilden. Smalle straten lagen er verlaten bij. Hun laatste huurders waren met grote moeite door de brandweer bevrijd. Tegen het einde verdrongen al die dikke mensen elkaar.
EINDE
― concludeerde hij.
― Enig ― zei Eve, en het klonk alsof ze het meende.
In de regel vond ze de verhaaltjes die hij vertelde wat dunnetjes (er gebeurde zelden iets) en in zulke gevallen kon ze kritisch zijn, maar vandaag hield ze haar mond en zei nog een keer ― Enig ― niet alleen omdat ze wist dat hij zichzelf te dik vond, maar ook omdat ze vermoedde dat hij somberde.
Ondanks het feit dat hij hun aankomst vroeg had gepland, hadden ze drie ferry’s vol toeristen moeten laten voorgaan. De hitte in de haven was drukkend geweest en om de tijd te doden waren ze de nieuwe vakken gaan bekijken die de autoriteiten tijdens hun afwezigheid hadden gecreëerd in een poging de menselijke toestroom naar het eiland in bedwang te houden. Vijfentwintig hadden ze gemaakt, en alfabetisch genummerd.
— Godbetere, Eve — had hij geroepen. — Kiezen ze voor een alfabetische nummering, maken ze er vijfentwintig. Zijn ze bang dat anders de hel losbreekt?
Haar ― Och schat, geef ze de tijd. Wie weet maken ze er na de vakantie nog één bij — had niet lang geholpen want toen ze een half uur later het zelfbedieningsrestaurant binnenliepen moest hij wel zien hoe de meeste andere leden van zijn soort boven een koffie of een pilsje de tijd verdreven door zwijgend naar de schermen met vertrek- en aankomsttijden van de veren te staren.
― O God, om met zo een troosteloze menigte straks te moeten uitvaren ― parafraseerde hij Melville’s kapitein Ahab. ― Alsof het licht bij hen uit is. De herhaling van willekeurig welke soap moet wel een leerrijker ervaring voor hen zijn.
Vervolgens had ze de kale supermarkt aan de rand van het haventerrein voorgesteld, waar ze wist dat het zelden druk was. Zij was met drie van zijn favoriete kazen en een gerookte worst bij de kassa aanbeland, hij had alleen een fles water gekocht.
De oversteek met de veerboot van 15.15 was de voorlaatste etappe in hun reis van Boston naar het eiland. Elk jaar namen ze eind juli een halve cruise naar Europa, reisden ze zestien uur per trein en zaten daarna drie kwartier op de veerboot. Aan de overkant stond een huurauto klaar waarmee ze na aankomst naar Y. konden rijden, of liever gezegd naar net buiten Y., omdat daar hun villa stond, hun tweede huis. In de eerste week van november maakten ze de omgekeerde reis terug. Alleen het vorige jaar hadden ze de reis niet kunnen maken, toen zijn zus ziek was geworden, gestorven en begraven.
Hij had de villa twaalf jaar geleden in een opwelling gekocht, na zijn eerste en meteen ook laatste sessie met een hypnotherapeute. “Vertel het maar,” had ze tegen hem gezegd, en dat had hij gedaan. “In den beginne was de moeder,” was hij aarzelend begonnen. De vrouw was eroverheen gestapt en had hem met “Alles leidt terug tot de moeder” gerustgesteld. Daarna had hij met haar een verleden ontdekt dat hem aanstond, waarin een strand was voorgekomen, witgeel, breed en oneindig. Het had gebold, zij het maar een beetje, en warm aangevoeld. In de branding had een houten been gelegen en wat verderop een dode potvis. Aan de horizon waren zowaar de kustvaarders van zijn eerste kindertekeningen voorbijgegleden. “Meer is er niet,” had de therapeute na bijna een uur gezegd. “Accepteer dat nou maar en ga niet shoppen.” In haar branche beslist een ongewoon advies, dat hij nochtans zonder aarzelen had opgevolgd. Voortaan was een glimp van Cape Cod Bay voldoende om hem te ontroeren en zijn favoriete kleuren werden groen, geel en blauw, van Cape Cods bossen, stranden en water. Toen hij zijn moeders erfenis te gelde ging maken, had hij (in samenspraak met zijn ziel, die de VS allang moe was) voor een villa op een eiland aan de rafelrand van Europa gekozen, zij het nog ruim voor het Fluwelen Gordijn.
Acht grote badplaatsen en vele kleinere telde de zuidkust van het eiland, waar de meeste stranden lagen. Aan de noordkust was Z. van belang, historisch gezien en omdat het veer er aanlegde. Y., waar zijn villa stond, kon volgens de reisgidsen bogen op een fort uit 1402 en een badhuis dat uit Turkse tijden stamde. Het badhuis werd echter alleen door lokalen gebruikt en het fort was niet meer dan een hoogte met wat muren die amper een meter boven de grond staken. Wel wilde een bij toeristen populaire legende dat in de loop der eeuwen duizenden jongens en meisjes hun maagdelijkheid achter een van die muurtjes hadden verloren. Verder had hij gelezen dat de duinenrij tussen Y. en Z. tweehonderd of meer jaar geleden een vloedgolf had doorstaan. Drie op elkaar volgende golven waren de zeestraat tussen de vaste wal en het eiland binnengedrongen, elk wel tien meter hoog. In de havenstad waren maar weinig mensen aan de ramp ontsnapt. Ook andere dorpen en gehuchten langs de kust hadden grote schade geleden, maar Y. was nagenoeg ongeschonden gebleven. Een feit dat hem tevreden had gestemd, ook al had hij er pas na aankoop van zijn villa over gehoord. Een ritje naar het strand waar het de reuzengolven niet was gelukt toe te slaan behoorde tot zijn favoriete uitjes. Daar zette hij zich dan aan de vloedlijn neer en keek met zijn verrekijker (een simpele 8 x 21) naar de golven aan de horizon. Die leken hem in de verte altijd groter en wilder dan dichterbij, alsof ze zich op afstand en voor het blote oog onzichtbaar op een nieuwe vloedgolf aan het voorbereiden waren.
En dan was er het dorp zelf, Y.
Een dorp moest plat zijn, vond hij, vlak, geen enkel gebouw met meer dan twee verdiepingen, zelfs het gemeentehuis en het postkantoor niet. Alleen de kerk mocht hoger zijn dan de rest. Ook moest er een weg door lopen, het liefst een provinciale. En aan de rand wilde hij een groot veld vinden dat alleen voor de halfjaarlijkse kermis werd gebruikt en niets anders. De rest van de tijd moest het leeg liggen wachten, als een belofte.
Precies zo was Y. als hij het zich thuis in Boston voor de geest haalde. Het had alleen geen weg, wel een winkelstraat die het in tweeën sneed, van het westen uit gezien in links en rechts verdeelde. Links waren de straten naar abstracta als Vrijheid en Trouw vernoemd, rechts naar allesbepalende historische data uit de tijd van de veldslagen tegen de ongelovigen. Aan de linkerkant lagen de markt, de winkels, de meeste terrassen en bijna alle restaurants, aan de rechter de kerk, het kerkhof en het kermisveld. Links werd in hun afwezigheid Carnaval gevierd, had hij zich laten vertellen, rechts trok op Goede Vrijdag na zonsondergang en eveneens zonder dat ze erbij waren een koortje zacht zingend door de straten.
— Prachtig. Machtig — had hij gekraaid toen hij het dorp voor de eerste keer had bezocht. — Hoe krijgen ze het gemaakt?
En toch, ook al was hij voor het eerst in twintig maanden weer onderweg naar zijn eiland en zijn dorp, hij bleef in zichzelf gekeerd, somber en bang, banger nog dan anders. Tussen het bekijken door van de nieuwe vakken had hij op het woord inconsolable gekauwd en terwijl Eve door de delicatessen dwaalde en naar zijn kaasjes en worstjes zocht, had hij in gedachten gewerkt aan een eenvoudiger uitleg van de grammaticale regelgeving voor het stellen van vragen in het Engels. Verloren moeite, want zijn stemming was dezelfde gebleven. Totdat, dik een half uur later, het perfecte tijdverdrijf zich had aangeboden.
Een jongen had de boot bijna gemist, door zijn late aankomst een kleine ophef veroorzaakt onder de mannen die de ingang bewaakten, de toegang tot het veer. Ze hadden met hem geredeneerd en hij met hen. Drieënveertig uur was hij onderweg geweest, veertig daarvan had hij in een trein gezeten. Normaliter vloog hij, moesten ze weten, maar dit was een buitenkansje geweest. “Bitte, bitte, laß mich durch,” had hij hen gebeden. Telkens als hij aandrong hadden de mannen hem met opgeheven armen tegengehouden, totdat ze ineens hadden toegegeven, op het allerlaatste moment, toen de scheepshoorn het vertreksein al had geblazen, hadden ze hem nagekeken, alle drie.
Daarna was hij de trap op gedraafd, rugzak en al. Hij had het gehaald, hij had gemazzeld, dat had hij met zijn draf laten zien. Via de buitenkant van de veerboot was hij naar het bovendek gerend voor wat ongetwijfeld het eerste zonnebad van zijn vakantie ging worden. Met een bezweet en rood aangelopen gezicht was hij op een bankje gaan zitten, tegen een van de drie zwarte pijpen. Hij had een paperback tevoorschijn gehaald, Inseln getiteld, maar het daarbij gelaten. Even later had hij zijn te ruime T-shirt uitgetrokken, het in zijn vuisten samengepropt, er zijn gezicht mee afgeveegd, het als een kussen achter het hoofd gestoken en de ogen gesloten.
Het was vijf voor half vier. De veerboot had de haven met amper twee minuten vertraging verlaten en bevond zich al buitengaats. Het schip brak het water, bruiste aubergine rondom en sneeuwwit aan de boeg. Vijfenveertig minuten in het ongewisse. Voor wie op het land leefde stond op zee de tijd stil. Daar golden geen uren, dat was geen leven. Vanachter de reling lieten tientallen passagiers het ontregelende landschap aan zich voorbijgaan. Vandaag was het paars, morgen zou het groen kunnen zijn, dan grijs. Vandaag luierde de zee, morgen zou ze kunnen walsen. Van de winter ging ze teisteren, zoals ze altijd deed; ooit had ze de hele aarde bedekt, dacht Balls.
Hij bevond zich vlakbij het trapgat dat het zonnedek met het middendek verbond, had zich allang moeten omdraaien maar kon het niet. Hij bleef maar om en om naar de zee blikken en naar de Duitser staren, zijn tepeltjes in hun areolae bestuderen en met verwondering het nog maar net begroeide buikveld aanzien, tot hij tussen de gespreide benen een lui gezwollen seks ontwaarde en een paar prominente ballen daaronder.
Ineens keek de jongen op, regelrecht in zijn gezicht. En hij lachte erbij. Een lach als ‘jij bent erbij’, maar niet triomfantelijk, ook niet genadig, eerder als ‘kat in het bakkie’, en verrukt. Met grinnikogen die zeiden: Leuk, hè?
Het sneed hem de adem af. Zijn hartslag begon op te lopen.
Kolere, dacht hij, laat hem niet nog een keer naar me kijken.
Subiet draaide hij zich om, daalde de trap af, wurmde zich langs twee, drie andere varensgasten, nam vier, vijf, zes, zeven treden, zoveel als hij nodig achtte om uit het zicht van de jongen te verdwijnen. Op de tiende tree pas voelde hij zich weer een beetje veilig. Hier schoot hem het woord wippersnapper te binnen. Hij probeerde het zonder te haperen uit te spreken. Na een kleine honderd keer nam hij de rest van de trap terug naar de kantine, waar Eve gelukkig met een broodje kipsalade op hem zat te wachten.
Maar goed dat niemand het heeft gezien, dacht hij nog. Jakkes, wat was ik aan het denken?
Toch was er ten minste één passagier die de schrik in de ogen van de toerist had genoteerd en de teleurstelling in die van de jongen met de rugzak. Staande bij de reling stelde hij vast dat de beslissing van zijn chef om hem juist deze verspieder mee te geven een gouden greep was gebleken.
Mixa, 42, een politieman geboren en getogen in de hoofdstad, was gewend om te observeren. Als voetbalfotograaf had hij naam gemaakt omdat hij wist waar te kijken en op wie te letten. In een oogwenk had hij de gelegenheidscheppers van de goaltjesmakers gescheiden, de dubbelspelspelers van de loyale types en de omstanders van de supporters, zelfs als hij werd geconfronteerd met een team dat hij nog nooit in actie had gezien. Hij zag wat zijn collega’s ontging: een moment van extase bij een paal, of de grote geldschieter, tegelijk ook maffiabaas en omkoper, net buiten het lichtveld. Tegenwoordig echter was hij inspecteur van politie, een speciaal agent, agent speciale zaken, bij het Bureau, dat bijna overal in de wereld werkte en waarvoor hij met de wet in de hand het kwade stopte, aan uitwassen en ongeremd plezier een einde maakte, zonder nadenken dingen doen als het kon onmiddellijk en ter plekke afstrafte, onder andere wat mannen en jongens met en onder elkaar deden. Zoals in een recente zaak die hij had geleid, van een graag geziene voetbaltrainer die zich door een clubje spelers van dertien had laten neuken. Een jaloerse rechtsachter had zijn maatjes rechtstreeks aan het Bureau verlinkt en de jongetjes, die naar eigen zeggen geen schade aan het gedane hadden ondervonden, hadden elke daad vrijelijk opgebiecht, zonder voorbehoud of overdrijving. De trainer was na een haastig proces tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. Voor alle zekerheid waren de betreffende kinderen aan de zorgen van een groep psychologen toevertrouwd.
Ieder mens speelde een rol, had het Handboek van het Bureau hem geleerd. Ieder mens droeg een vermomming, verborg zich achter een Venetiaans masker, om vooral door te kunnen gaan met wat hij eeuwenlang al had gedaan, zijn eigen leven leven, los van de heersende moraal. Als een katholieke Indiaan die hij eens in een kerk in Mexico had geobserveerd, die alleen maar voor het altaar boog omdat hij daaronder zijn oude goden nog steeds verscholen wist, zo ook leidde elke man overdag een geregeld bestaan, met geregeld eten en geregelde seks. ’s Nachts echter klom hij over de muur die de sportvelden van de weilanden scheidde en stond in de rij voor een jongen die speciaal uit de stad was gekomen om zich door iedereen die het maar wilde te laten neuken. (Ook dat had hij zien gebeuren.) Taak van het Bureau was het om zulke heidenen op te sporen, te isoleren en uit te roken. Oftewel ervoor te zorgen dat justitie ze aan de schandpaal nagelde, mannen die de passies van hun ziel als oude goden bleven cultiveren, behoeden, bewaren, sparen, handhaven of vrijwaren, maar vooral verborgen hielden. Want er was geen goed of slecht als er niet werd gestraft, stond er ook in het Handboek.
Onwillekeurig knoopte hij zijn colbertje los, sloot het weer omdat het jasje in de zeebries al te zeer wapperde en richtte de blik op het eiland waarnaar hij op weg was. De geelgroene heuvels leken hier en daar op bergen, vormden van oost naar west een lange rug die de horizon bijna helemaal afsloot. Keurig in het midden lag Z. Drie, vier kanten op kroop het omhoog, imponeerde het met gebouwen van Italiaans en Frans aandoende bouw. Hij onderscheidde de contouren van de centrale laan, het stadhuis halverwege en aan het einde de kazerne. Op de kade zag hij de taxichauffeurs tegen hun wagens geleund sigaretjes roken. Bussen werden in schuine vakken geparkeerd, klaargezet om aankomende reizigers naar het centrum te rijden en de dorpen in de omtrek te bedienen. Nog verder naar achteren, net buiten de tolpoort, ontwaarde hij waarachtig de grasgroene Mercedes 300d van de Tegenpartij, waarvan de chauffeur zo te zien ongeduldig zat te wachten op zijn vrouw.
Zij is dus ook aan boord, dacht hij.
Uit een briefing op het Bureau de dag ervoor was hij wijs geworden dat het paar op het eiland een exclusief hotel uitbaatte, hij als kok en zij als receptioniste. Haar zoon uit een eerder huwelijk zou er als maître d’ fungeren.
Zijn gedachtegang werd onderbroken toen hij in de stuurhut naast de kapitein een oude bekende herkende, aan diens lach: de lippen opgetrokken, de tanden door een spleet gescheiden bloot. Ooit had de jongen lange haren als van een Indiaan gehad en was hij in de hoofdstad zowel zanger geweest als prostitué.
Met een omtrekkende beweging verliet hij daarna het bovendek. De rugzaktrekker had zich weer aangekleed, zag hij, en leek te slapen, de kin op de borst en de linkerarm om zijn rugzak geslagen. Zijn blonde haren hingen als een zonnescherm voor zijn gezicht.
Aan de overkant was er van wachten of angst voor chaos geen sprake. Daar was het eerder opschieten geblazen, hoe sneller, hoe beter. Taxi- en buschauffeurs hadden de motoren al draaien terwijl de veerboot nog aan het afmeren was. Balls en Eve waren zelfs bij de eerste vertrekkers.
― Balls. Ba-halls. Joe-hoe. Hier. Kijk, hier is onze auto. Balls?
Ze laadden de koffers in, Eve kroop achter het stuur en weg waren ze. Voorbij de kiosken, het leugenbankje, de pissoirs, de tolpoort en de havengebouwen, weg van de terminal, de stad in, het eiland op.
Hij liet zich door zijn vrouw rijden, ja. Volgens haar reed hij als een novice voor het eerst op weg naar het bisschoppelijke paleis: dan te langzaam, want bang, dan te jachtig, want ongeduldig. Hortend en stotend, heen en weer geslingerd tussen afkeer en verlangen. Dat was niets gedaan voor de bestuurder van een voertuig op de openbare weg, vond hij zelf ondertussen ook. Bovendien was het al reden voor talloze aanhoudingen en zelfs enkele ontzeggingen geweest. Zijn rijbewijs was niet meer dan een papieren bewijs, het bewijs van een leugen. Eve echter reed als een chauffeur, een beroeps, een kunstenaar, een talent: toegewijd, en achteloos, één met de machine. Op een avond in februari waren ze naar het verjaardagsfeest van een oud-collega geweest, in Lowell, en op de terugweg hadden ze de US3 genomen. Er was een sneeuwstorm opgestoken en het verkeer was vastgelopen. “Het liet zichzelf vastlopen, kon niet anders, leek niet anders te willen dan vast te lopen. Alleen mijn auto reed zich los, met mijn Eefje achter het stuur,” had hij de dag nadien aan wie het maar wilde horen verslag gedaan.
De Duitse jongen had buiten Eve’s energieke optreden gerekend en zo het nazien. In de mêlée gevangen moest hij zijn glutäugigen Alte wel laten schieten; en de scheiding leek definitief: van noord naar zuid mat het eiland een dikke 50 kilometer, van oost naar west maar liefst 92. Wat hij een kwartiertje later ongewild wel oppikte was een oud mannetje dat op en bij het leugenbankje geen rust had kunnen vinden en voor de haventoiletten omscharrelde. Een goedgeschoren mannetje was het, zonder neus- en oorharen in zicht, een truitje met een werkje op een blauwe terlenka broek. Het ging meteen achter hem aan het pissoir binnen, blikte hongerend en wachtte tot hij positie zou kiezen. In plaats daarvan kwam de concurrentie: een magere Hein met een te grote bril op ietwat onzekere benen die zich aan de wasbak staande moest houden. Toen vervolgens een derde bejaarde door de klapdeurtjes kwam was het pishokje vol en wrong hij zich naar buiten. Hij kon de toerist met zijn ongewone, de normale maat ver overschrijdende Reinheitsbedürfnis moeilijk al vergeten.
Balls, aan de andere kant, zo ongelijk in woord en gedrag, was de jongen op de veerboot eigenlijk alweer vergeten, de afleiding voorbij, en het tijdverdrijf. Daarenboven had hij zich tijdens het eten van zijn broodje weer eens voorgehouden dat de voorbije dertig, veertig jaren zijn gezicht, zijn handen, zijn buik en zijn benen hadden geruïneerd, evenzeer trouwens zijn ingewanden. Zijn vel hing en het was verkleurd waar het samenkwam, in zijn hals, in zijn oksels en in zijn liezen. Zijn adem rook naar bedorven waar en naar een teveel van alles en zijn schaamhaar was even verwilderd als de Hof van Eden tegen de tijd dat Methusalem stierf, stelde hij zich voor. Zijn geslacht kroop steeds dieper weg in zijn velletje. Die aanblik kon hij geen jongen aandoen; het hoorde niet, had hij zich ingeprent, dat die op zijn leeftijd al wist wat hem nog te wachten stond.
Twintig minuten nadat hij en Eve de haven hadden verlaten zag hij in een kom beneden zich het lege kermisveld liggen. Ernaast lag het dorp met de rode daken, de palm- en pijnbomen en de kerktoren met dubbele trans, zo rank dat hij met waterverf getekend leek. Het fort bleef onzichtbaar achter de bomen. Meer naar links kreeg hij wel een blauwe glimp van de haven.
― Het is hier niets veranderd.
― Wat, schat?
Eve had net teruggeschakeld.
Hij herhaalde zich.
― Ja, is het niet zalig?
Hij zweeg omdat hij merkte dat zijn eigen woorden hem hadden ontroerd.
Eve nam nog meer gas terug om het pleintje te kunnen nemen dat toegang tot de Straat van de Winkels bood, een smal gebleven hoofdstraat, omzoomd door palmbomen waarvan de bladeren in het midden over elkaar heen bogen. Behalve winkels bood de straat terrassen, de VVV en een bank. Vanwege de overal slenterende vakantiegangers reed ze er bijna stapvoets doorheen, de linkerarm nonchalant op het portier gesteund.
Ze konden de haven nu ruiken.
Was hij toch gewoon al die tijd bang geweest, besefte hij, dat de gemeente de straat voor alle verkeer afgesloten en van het kermisveld een parkeerterrein had gemaakt. Alleen maar omdat hij deze keer een jaar had overgeslagen en langer dan anders was weggebleven.
Aan de haven was het helemaal druk. Er waren hier nog meer terrassen dan in de Straat van de Winkels, waaronder dat van hun favoriete pleisterplaats, café Vita, dat ook als hotel fungeerde. De weg liep er in een U omheen en bediende automobilisten, fietsers, voetgangers en skeelers tegelijk. De beide haakse bochten echter vertraagden elke vorm van snelverkeer. Uitzicht op de haven hadden vijf, zes, zeven imposante, in gele steen opgetrokken herenhuizen. Eve noemde ze altijd maîries omdat ze haar aan de Franse gemeentehuizen deden denken die ze zich van haar Grand Tour herinnerde.
Na tweehonderd meter sloegen ze de hoek om en dadelijk hadden ze het dorp en de drukte achter zich gelaten. De weg vóór hen volgde de krabbelende kustlijn. Links kroop het land verder uit zee omhoog, volgens de kaart op deze uitloper van het eiland wel tot 250 meter. De heuvelruggen waren met lage dennenbossen begroeid en amper bebouwd. Wel stond op een van die kammen hun villa.
Negen maanden van het jaar woonden ze op nog geen twee mijl van Boston Common, in een bruinstenen huis van drie verdiepingen dat tussen de beide wereldoorlogen was gebouwd en nog maar twee renovaties had ondergaan, de laatste naar Eve’s wensen uitgevoerd. Tijdens de overige drie maanden was de villa hun thuis. Het was een laag, witgekalkt huis met dikke muren, gebouwd in de vorm van een rechthoek die veel langer was dan breed. De balzaalachtige woonkamer bood uitzicht op de zeestraat en het vasteland. De keuken was van een modern kookeiland voorzien. De badkamer had een trompe-l’oeil van een raam in mozaïek uitgevoerd, Balls’ werkkamer had een bibliotheek en in de beide slaapkamers stond een houten tweepersoons bed. Het verhoogde terras aan de voorzijde was overdekt en met een Grieks aandoende colonnade opgetuigd.
Vanwege hun manier van reizen hadden ze nooit last van een jetlag, hooguit bij aankomst een wat verreisd gevoel. Voor hun komst luchtte een weduwe uit het dorp de villa en voorzag hen van proviand. Zo kon het dat ze die namiddag om kwart na zessen al aan weerszijden van de grote eettafel zaten, elk met een gegrilde zalm voor zich en een schaal gebakken aardappels. Balls dronk er bier bij, Eve witte wijn.
Er was zelfs tijd over om voor de zon onderging nog naar het strand te rijden.
― Hoelang hebben we erover gedaan, Eefje? — vroeg Balls toen ze de auto een kleine honderd meter achter de duinenrij had geparkeerd.
― Elf, twaalf minuten — schatte ze.
Hij liep over het veel vertreden zandpad tot waar het strand begon. Vlak voor de natte lijn, waar de vloed nog maar net een kwartier geleden het hoogste punt had bereikt, bleef hij staan. Voor hem braken de golven stuk, schuimend maar machteloos, niet meer in staat om hem ook maar natte voeten te bezorgen. Verderop was de zee groengrijs, doorzichtig groengrijs, exact de kleur van het water waar hij in zijn dromen soms in zwom, een deinende vlakte zonder horizon.
Even ging het door hem heen dat een ziel net zo goed obsessies en fobieën kon hebben.
Hij lachte kort om die gedachte, sjokte toen met kleine pas en lichtelijk voorovergebogen terug het zandpad af, naar Eve en naar de auto.